109. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 10 juni 1893
Lieve Oepke,
Uw brief is ontvangen en het geld ad 165 mark aan uw adres verzonden. Met onze familie is het alles tamelijk wel. Trijntje is weer beter. Gep van der Meer heeft nog last met de ogen. Ikzelf ben thans niet helder, maag en ingewanden en roos in mond en hoofd1 werken tezamen drukkend op mijn gestel. Overigens ben ik gezond. Kleine Sjoerdje is bij ons uit van huis en Betje bij Van Dijk en Anne, om redenen die gij D.V. spoedig zult vernemen. Met de hooiing staat het min, doch hierover zal Pier schrijven. Wat uw terugkomst betreft, doe zoals het u het beste voor komt. Is er geen uitzicht op beterschap, dan kan verder blijven ook al niet baten. Wij kunnen hierover echter niet oordelen en moeten het aan uw eigen oordeel en aan het oordeel van de dokter overlaten, terwijl boven dat onze hoop gevestigd blijft op God. Hij, de Here Jezus, heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten die heeft Hij gedragen - opdat door Zijn striemen ons genezing zou geworden2 - en als onze gebeden en smekingen tot Hem zijn en ons gebed mag zijn een gebed des geloofs, dan is er nog evenals tijdens zijn omwandeling op aarde kracht en gewilligheid bij Hem om te genezen. Here, vermeerder ons het geloof! Hoeveel vrezen heeft Hij al niet beschaamd - Hoeveel uitkomsten heeft Hij al niet gegeven, en zou dan uw genezing Hem te wonderlijk zijn? Neen, duizendmaal neen, maar ook dan vraagt Hij van ons een roepen uit de diepte. Here, ontferm u mijner. Nu lieve Oepke, de Here zegene u met de zegeningen des hemels en der aarde, van Hem zij uw hulp, van Hem ook uw verwachting. Van harte uw u liefhebbende vader en moeder. Ook gegroet van uw broeder Jakob en nicht Gep, Gerben en Wiebrig en kleine Sjoerdje.
D.P. Noordmans. G.O.de Roos.
(AN)