204. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, 4 februari 1908
Amice,
Gistermiddag werd ik zeer verontrust door het bericht dat Van der Schans2 zeer ernstig ongesteld was geworden. Vanmiddag deelde Sijke3 me mede dat dr. Duindijk suikerziekte heeft geconstateerd. Was ik maar in Workum! Ik heb behoefte hem te zien, maar het gaat moeilijk om zonder verdere gegevens hier allerlei op te geven. Als het er op aan komt laat ik alles in de steek. Ik schrijf tegelijk een briefje aan dr. Duindijk met het verzoek mij te willen mededelen of hij een ongunstige wending vreest. Zoudt ge me ook je indruk eens willen mededelen? Mocht het zich zeer ernstig laten aanzien, dan vermoed ik dat dr. Duindijk, als ge het vraagt, meer de waarheid zal zeggen dan aan Sijke. Mocht deze ziekte hem wegnemen, hetgeen de Heer genadiglijk verhoede, dan zou ik niet gaarne de gelegenheid verzuimen om hem eens een ogenblik rustig te zien. Ik vermoed dat hij het ook begeren zal. Ge kent enigszins onze verhouding. Ik kan mij het leven niet denken zonder die trouwe Van der Schans aan wie ik zoveel te danken heb. Vrijdag en zaterdag zou ik kunnen komen. Wilt ge mij uw oordeel eens melden. Mocht ge het deze week erg nodig oordelen en ge zendt donderdag een telegram dan ga ik vrijdagmorgen op reis. Is er geen levensgevaar en moet hij het heel rustig hebben dan zou ik de drukte maar meerder maken. God spare kan het zijn dat dierbaar leven. Vriendelijke groeten, tt.
H. Visser.
(AN)