205. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans
Berlikum, 6 februari 1908
Amice frater,
Met diep leedwezen nam ik kennis van uw mededeling,2 waarvoor ik u hartelijk dank. Het zijn wel ernstige tijden, die we beleven. Mijn oude vriend Pot3 nog geen jaar geleden heengegaan, Limborgh 7 december j.l.4 gevolgd en nu Van der Schans ernstig ziek.5 In de strijd voor het evangelie en onze kerk, op ieder terrein waren het zulke trouwe, beste kerels. Ik heb, als ik ze in de bloei des levens zag heengaan of buiten gevecht gesteld, wel eens een beklemmend gevoel gehad. God geve ons mannen als zij in hun plaats. En Hij late ons nog onze trouwe, ijverige Van der Schans houden. Ik zal even bij ’t Oranjehotel laten vragen of men daar maandag op ons rekent.6 Sta mij toe u het volgende te vragen: zou het mogelijk zijn, zonder de zieke te storen, op zijn studeerkamer het notulenboek van de predikantenvereniging te vinden en zou u in dat geval zo vriendelijk willen zijn het maandag naar Leeuwarden mee te brengen of mocht u onverhoopt zelf niet komen, het mij te zenden? Van der Schans zal immers een dergelijk ingrijpen in deze omstandigheden niet kwalijk nemen! Misschien ligt ook het rooster er in en kunnen wij dus weten wie de mei-lezing moet opgedragen worden. Onze vice-secretaris Straatsma7 zal ik op de hoogte helpen en hem verzoeken vooral ter vergadering te komen. Vraag ik niet teveel, mag ik dan soms wel eens een briefkaart van u met een paar woorden, die mij omtrent het verloop der ziekte inlichten? Van uw vader ontving ik voor enige tijd een gedicht voor De Banier8 met een hartelijk schrijven. Toen het kort daarop bleek, hoe kort dit voor zijn heengaan was, heb ik dit dubbel gewaardeerd. Hij vooral was volbloed man van de oude garde. Zijn laatste getuigenis in het openbaar droeg er nog de stempel van. U nogmaals dankend voor uw vriendelijke attentie en hopend u maandag te mogen ontmoeten, met hartelijke groeten tt.
H. van Eyck van Heslinga.
(AN)