276. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Rotterdam, 20 november 1912
Amice frater,
Laat ik ’t niet uitstellen je uitvoerige brief met een enkel woord te beantwoorden. De gunstige beoordeling deed mij groot genoegen. Het was niet zonder vreze en beven, dat ik het zaakje naar de drukker zond. Ik voelde zo tal van leemten, onvolledigheden, gebreken dat ik makkelijk nog een vol jaar er aan had kunnen werken, zonder nog tevreden te zijn. Men moet ook in deze ’t maar eens wagen en alvast geven wat men heeft. Vooral ook de kritiek van moderne zijde wachtte ik niet zonder vrees af. ’t Was een gewaagde onderneming de “denkende” mensen een spiegel voor te houden en te zeggen: kijk, zo zijn jullie nu. Zelfs een portret bevredigt de patiënt meestal niet, laat staan schetsen van iemand die geen geestverwant is. Tot nu toe mag ik evenwel tevreden zijn: zowel De Nieuwe Rotterdammer als Vrije Vroomheid zijn waarderend, geven zelfs ‘een eresaluut’!1 Maar van allen van wie ik iets over mijn studie las, heb jij geheel ’t allerbest begrepen. Hierin zag ik de eenheid des geestes en tevens de critiek die uit ’t begrijpen verder gaat en leemten toont. Je brief was mij een genot. Ja, lichte humor was er meermalen in mijn hart, soms meer dan dat. Hier en daar heb ik mij moeten bedwingen om niet uit te roepen: wat is dat moderne toch eigenlijk dun! En ik heb diep gevoeld, hoe La Saussaye Sr. en Gunning2 konden spreken van onze ‘kleine grote mannen’ als zij ’t hadden over de moderne voorgangers. Maar ik wou dit niet zeggen. Voor mijn gevoel lag er in eenvoudig beschrijven eigenlijk reeds vernietigende kritiek en mocht ik mijn eigen oordeel niet het oordeel der historie laten overstemmen of bederven. En ik verkneuter mij, als iemand als Hooykaas3 in Vrije Vroomheid erkent: zo zijn wij ook inderdaad als in dit boek getekend wordt. Laten zij dit nog maar niet horen, voor alle recensies verschenen zijn! Er zullen er toch ook wel zijn - trouwens De Nieuwe Rotterdammer ging al in die richting -, die zelf wel voelen, hoe weinig imponerend hun richting is. Daarom wacht ik eigenlijk ook nog wel felle kritiek. Ja, Pierson4 is de grote figuur: hij is eigenlijk degene die Opzoomer5 ‘er in’ heeft gebracht; hij is degene die de Leidse school6 onmeedogend heeft gegeseld en daardoor de Urheber van de ethisch-moderne richting is geworden; hij heeft waarschijnlijk ’t meest tot ’t agnostisch worden der empirisch modernen bijgedragen; hij is de vader van de radikale critiek en daardoor van de symbolische opvattingen van Loman7 en Van Manen.8 En Pierson heeft op zijn sterfbed verklaard, dat zijn kleinkinderen wel weer orthodox zouden worden! Kuenen9 is, zeker, ‘psychologisch’, maar toch geheel op ’t standpunt van een louter immanent Godsbegrip. Hij bewonderde bijvoorbeeld Scholten’s Vrije wil.10 Bij ’t psychologische hebben wij toch ook nodig de zekerheid van een Godsopenbaring, de verzekerdheid van een geschonken genade. Overigens stem ik je geheel toe wat je zegt over het eenvoudige, het natuurlijke, ’t frisse. Ik had daar ook wel op mogen wijzen. Waarom niet? Het was zelfs beter geweest, als ik ’t gedaan had. Zo ook je verdere beschouwing, over hun goede bedoelingen en hun religieuze onmacht. Ik geloof ook werkelijk dat ’t zo is. Misschien zou uit een dergelijke beschouwing wat te veel medelijden spreken en dit zou natuurlijk nog veel meer prikkelen dan de heftigste polemiek. Als je wat in de Friesche Kerkbode erover schrijft, dan krijg ik dat nummer wel van je? Met hartelijke groeten, van huis tot huis. Hier alles wel, tt.
Nus Brouwer.
(AN)