82. D. Eringa1 aan Oepke Noordmans
Engwierum, 16 februari 1892
Waarde Neef!
Toen ik uit Leiden vertrok, beloofde ik je, je eens te zullen schrijven, als ik hier te Engwierum aangekomen was. Welnu, ik mag dan nu niet langer wachten met mijn belofte te vervullen. Ik weet nu niet beter te doen, dan het een en ander te schrijven over mijn wedervaren sedert ik afscheid van je genomen heb. Des zaterdagsmiddags ben ik goed en wel met de boot te Waddinxveen aangekomen, waar mijn meisje mij bij de aankomst der boot reeds opwachtte. (Moge zo iets jouw deel ook eens zijn; tijdens je student-zijn!). Doch om door te gaan en mij niet van mijn stuk te laten brengen. Des zondagsavonds heb ik te Waddinxveen gepreekt. Deze preek kende ik niet zo goed als de vorige en het licht op de preekstoel was niet helder, zodat het mij, geloof ik, niet zo goed afging als vroeger. Des maandagsmorgens ben ik kwart voor acht van huis gegaan en naar Gouda gelopen, opdat ik te negen uur met de trein naar den Haag kon gaan. Aldaar ontmoette ik een student uit Utrecht, een oude vriend van mij, Visser2 die te Harderwijk met mij op het gymnasium gegaan heeft. Hij moest zich ook aangeven voor het proponentsexamen. Wij zijn toen samen naar mijnheer Overman3 gegaan; waar reeds vier heren uit Utrecht zaten. Deze wilden gaarne naar Utrecht en Friesland. Visser wilde ook gaarne naar Friesland en dan had iemand uit Amsterdam gevraagd of hij ook naar Friesland mocht. Ik heb toen Overijssel maar gekozen; later kwam een Leids student, Van de Berg van Eysinga4 er ook, die ook naar Overijssel gaat. Ik kwam er vooral toe Overijssel te kiezen op aanraden van ds. Krull,5 die ik om raad gevraagd had en die een briefkaart naar Waddinxveen had gezonden. De meerderheid is te Zwolle orthodox en ds. Knap6 van Kampen is voorzitter. Nu heb ik van de week een brief van ds. Bruinesse7 van Raalte, de secretaris, gekregen, inhoudende dat ik tot het examen was toegelaten, waarvoor ik donderdag 5 mei te 10 uur in de consistoriekamer der Grote Kerk te Zwolle moest zijn. Donderdagsmorgens 4 februari ben ik uit Waddinxveen naar Harderwijk vertrokken. Ik wilde zaterdagmorgen weer vertrekken, maar het is heel anders uitgekomen. Beneden Antje en Ulbe8 woont hun huisheer, die mensen uit Hierden kende, een mooi gelegen dorp op een uur afstands van Harderwijk, dat op ’t ogenblik vacant is. Hij had hun van mij gesproken en nu kwamen twee ouderlingen van daar mij vragen of ik daar zondagmorgen wilde preken. Dit kon ik nu niet best weigeren. Zondagmorgen haalde men ons met het Utrechts wagentje, dat bij de pastorie hoort en toen heb ik daar voor een volle kerk mijn eerste preek gehouden. Het was een wonder gezicht, die Gelderse boeren in hun wijde broeken en die vrouwen met die doeken om. Er moet daar echter een goed slag van volk wonen. Met opgewektheid heb ik daar gesproken. Nooit echter heb ik zulk slecht zingen gehoord. Er was geen orgel en het ging verbazend langzaam. Wie maar het hardst kon schreeuwen en het meest draaide, was de beste man. Des avonds ben ik bij ds. Ten Kate9 te Harderwijk in de kerk geweest. Maandagmorgen ben ik vertrokken. Van Dokkum liep ik naar Oostrum, heb daar een uur of drie vertoefd en ben hier ’s avonds naar Engwierum gelopen. Nu ben ik hier al op mijn gemak. Ik ben al druk aan ’t studeren en heb het studeerkamertje boven te mijner beschikking. Vrijdagnamiddag zijn Jacob en Dina10 hier een poosje geweest. Zondagavond heb ik een diaken opgezocht. Overigens kom ik hier haast niet bij de mensen. Ik heb geen tijd en lust er toe. Zondag ga ik misschien weer eens even ergens heen. Vanmorgen heb ik gecatechiseerd met de schooljongens. Dat uur zal ik voor mijn rekening nemen. Wellicht preek ik hier zondag over acht dagen. Ook zal ik nog eens te Oostrum preken en te Paesens, te Oosternijkerk en aan Jacob had men gezegd, dat men mij te Birdaard eens zou vragen. Ik heb geen tijd meer preken te maken, maar die twee, die ik heb, zijn natuurlijk onuitputtelijk! Nog iets. Spreek je Spoelstra11 ook eens? Zo niet, dan behoef je er geen moeite voor te doen; maar wil je hem anders eens vragen of hij soms ook een dictaat over de tekst van het Oude Testament van Kuenen12 van mij heeft in leen en of hij het dan ook missen kan en mij kan sturen? Zo heb ik je dan het een en ander meegedeeld. Krijg ik nu spoedig ook eens een brief van jou? Wij zijn hier overigens goed gezond, behalve Gep,13 die nog niet helemaal hersteld is van de influenza. Nu, na hartelijke groeten, je toegenegen neef,
D. Eringa.
P.S. Heeft Oort14 ook een mooie speech gehouden op 8 februari? En vertel mij nog iets van 8 februari s.v.p.
P.S.2 Het blijft natuurlijk afgesproken, dat ik je ± 1 maart je pecunia terug stuur.
(AN)