278. G. Smit1 aan O. Noordmans
Makkum, 26 januari 1913
Waarde Vrienden,
Ik wil van de zondagavondstilte gebruik maken om je brief van begin januari te beantwoorden. Het zou onhartelijk wezen langer te wachten. ’t Is waar, wat Norel2 je verteld heeft. Mien3 sukkelt met haar ogen. Haar ene oog is bijzonder zwak. Als zij op een meter afstand van me zit en zij sluit het betrekkelijk goede oog, dan onderscheidt zij niets van me met zekerheid. Het andere oog is van nature ook niet sterk. Als dat nu maar gespaard mag blijven, dan is er kans, dat zij haar vele werk zal kunnen blijven doen. Dit alles baart natuurlijk zorg. Sinds enige jaren is het zieke oog gaan verkleuren. Noordmans zal ’t wel eens opgemerkt hebben, hoe geheel anders het zieke oog van kleur is dan het gezonde. De ziekte schijnt uit ’t gestel voort te komen. Mien heeft altijd maar zware hoofdpijn, aan die kant, waar het zieke oog zit. De bloedstroming is abnormaal. Dat gaat met hartklopping enz. gepaard. Het is een vroegtijdig ingetreden verkalking der bloedvaten. In Leeuwarden heeft ze naar haar ogen laten zien, ook in Utrecht. Als we tijd van leven hebben, gaat ze nog eens naar Amsterdam, naar prof. Straub.4 Of ’t baten zal? We hopen ’t vurig, want welk gezin kan ’t stellen met een sukkelende moeder? Zij heeft rust, veel rust nodig. Maar hoe die te krijgen? Haar werk is veel. Alle zorg voor kinderen en huis rust op haar en de hulp van dienstpersoneel betekent weinig. Als zij moe van ’t zorgen is, dan is ’t soms, alsof haar ogen als vuurballen uit elkaar spatten. Zij moet haar ogen sparen. Zij naait, stopt en leest zo weinig mogelijk, maar daar zijn tijden, dat het moet. En de geest verlangt ook wel eens verfrissing. Een buitenstaander weet natuurlijk niets van het kruis boven ons huis. Zij is sterk van geest, opgewekt van aard, spraakzaam, heeft een hoge kleur; de wereld meent, dat er niets hapert. En ’t gaat niet aan het steeds wereldkundig te maken. Men draagt zijn kruis het beste met zijn drieën als men getrouwd is: God, man en vrouw. Ons vijftal is vrij goed gezond; alleen Willy sukkelt de laatste week, eerst met de amandelen en nu met de ogen. ’k Hoop, dat het van voorbijgaande aard mag wezen. Ons meisje is allerliefst; zij kijkt met haar heldere ogen nog blijde de wereld in; onze Aleid is een opgewekte leesgrage natuur. Onze Mari5 ontwikkelt zich ook flink. En onze Conradus is een stevige brok, maar traag in het lopen. Zij brengen tezamen heel wat zorg en heel wat poëzie in ons leven. Met Ten Kate6 gaat ’t goed. Hij heeft weten te bewerken, dat beide kerken verwarmd worden. Van Oosten7 heeft zijn zes weken oud meisje door de dood verloren. Het had een vernauwing in de keel. Een operatie was nodig anders was ’t gestikt. De operatie is te Groningen gebeurd. Het kindje bleef er in. ’t Was donderdag een treurige thuiskomst voor hen. Met belangstelling volgde ik je polemiek met De Nederlander.8 Gij hadt gelijk - De Nederlander ziet de dingen niet altijd juist. Brouwers boek over ’t Modernisme9 las ik met belangstelling. ’t Is zeer objectief, en mist daardoor wel wat aan overtuigingskracht. Doch genoeg. ’t Ga jullie drieën in alle opzichten goed. Mien laat je groeten, Zij is van vermoeidheid naar bed gegaan. Weest gezegend in huis, hart, gemeente en studeerkamer. Met vriendelijke groeten v.h.t.h. Gaarne de uwe,
G. Smit.
(AN)