224. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans
Berlikum, 24 december 1908
Amice frater!
Mooie kerel! Luidt met kracht de brandklok en als de lui dan uit bed stuiven, met nog maar één arm in de jas naar de toren snellen om te vragen waar de brand is, komt hij kalm tevoorschijn en zegt, dat ’t al “uit” is en ook eigenlijk niets betekent en en (nog erger) dat de verwarring, die hij verwekte eigenlijk voortkomt uit het gebrek aan discipline onder de brandweerlui, de stumperds, die voor hem staan te hijgen, omdat ze zo hun best deden. Mooi is ie - maar ’t is zo toch maar ’t beste. Naar Johanna2 is nog niet gevraagd, want ik verzocht Groot Enzerink3 de bezwaren van v.d.Pl.4 inzake de colportage uit de weg te ruimen, opdat hij wil meewerken en uw bezwaar om in de redactie te blijven voor die rubriek zou vervallen. V.d.Pl. schreef ik alleen over de colportage, zodat thans de causa [ma..] zal volgens uw schrijven. Inliggende zijn antwoord. Dus dat is weer klaar. Overigens sloof ik mij uit, man, voor ’t blad. Ik schreef bladzijden copie, zocht abonnees, [...] correspondeerde naar alle kerken en Leeuwarden doet ’t zelfde. Over de Nieuwe Rotterdamse Courant - Norel5 schreef Groot Enzerink,6 maar ontving nog geen antwoord. Zodra ik ’t heb, zend ik ’t je. Als ’t kan, moet Norel mee. Maar nu is ’t wel donderdag, maar toch zaterdagavond. Houd je taai en heb een gezegend Kerstfeest. Met hartelijke groeten, tt.
H. van Eyck van Heslinga.
(AN)