Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 6. Suameer

Weergave

291. O. Noordmans aan H. Stoel1

Suameer, december 1914

Amice fraterque,

Je dissertatie2 las ik met bijzonder veel genoegen. Als blijk van belangstelling geef ik hier een paar opmerkingen. Ge hebt, om te beginnen, prachtig gecorrigeerd. Of geldt hier al dadelijk: cherchez la femme? - Maar dan is het drukfoutenduiveltje zelfs Amor te schalks geweest. Ik vond op p. 228, vierde regel van onderen ‘Rome’s kerk loven’ in plaats van ‘te loven’. Anders heb ik niets aangetekend. En nu waag ik een schrede verder en noem de stijl. Die is welverzorgd, om een welverzorgd woord te gebruiken, en ik vind dat een grote verdienste. Uw stijl maakt de indruk van objectiviteit. Hij is niet hinderlijk persoonlijk, is ook niet druk, ad hominem,3 maar schrijdt, ik zou haast zeggen in de derde persoon statig en deftig voort. Moest ik een kritiek maken op uw werk, dan zou ik dit wat nader uitwerken. Nu wilt gij, die ’t boek zelf gemaakt hebt, dit compliment wel van mij aannemen. Wat verder de methode betreft, die zou ik willen noemen ‘more geometrico’4 en daarin bedoel ik tegelijk lof en een klein beetje kritiek te geven. Uw boek is, ofschoon het een zielsgeschiedenis behandelt, sterk logisch gespannen. Deze spanning moet u zelfs soms vermoeid hebben, terwijl gij er u toch niet aan kondt onttrekken. Sommige draden hebt ge om uw vingers gewonden gehad en ge hebt ze tot het einde toe strak gehouden. Zo denk ik aan het telkens terugkerende: ‘myself and my creator’ en andere dergelijke ‘motieven’, die herhaaldelijk terugkeren. Hierin ligt een grote verdienste van het boek. Het geeft aan de rijke stof een nobele eenvoudigheid. Maar een enkele maal dacht ik toch: nu hoop ik dat deze of die uitdrukking niet meer terugkomt. Toch kwam ze een paar malen. Dit gaf mij dan soms de indruk van een zekere meetkundigheid. - In een zielsgeschiedenis verliezen de lijnen zich tot op een zekere hoogte en die indruk moet men niet tegenwerken door ze te blijven aanwijzen! Daarom had ik Hoofdstuk X ‘Terugblik’5 wel willen missen. Daarin komt uw schema onverkort en daardoor naakter naar voren. Met p. 222 was uw taak voltooid. Het praatje over Newman in Hoofdstuk X hebt ge om de lezer ter wille te zijn erbij gevoegd,6 zoals een auteur, die nog even praat over de personen in z’n roman, als ’t boek uit is. Ge hadt hier strenger moeten zijn tegenover de lezer en moeten zeggen: dat gaat je niets aan. Ibsen was verstandig toen hij prof. Van Dijk ledig heen zond.7 In deze kritiek ligt tegelijk lof voor uw boek opgesloten. Ge zult die er zelf wel uit weten te halen en zegt maar als de Biene zur Gärtnerin: ‘Ja, das Gift lass ich darin’.8 Dan heb ik nog een ‘aanmerking’ of opmerking. Op ’t hoogtepunt van Newman’s zielsgeschiedenis, p. 218, als Newman Rome’s kerk in de armen valt, een waarlijk aangrijpend moment, valt gij ten slachtoffer aan de verleiding om een pendant te plaatsen in Renan.9 Hadt ge parallelle levens geschreven en was hier Renans levenslijn naast die van Newman uitgelopen, dan was de vergelijking prachtig geweest. Nu is Renan maar even op p. 216 genoemd10 en heeft hij geen recht de eenzaamheid van Newman’s zielscrisis te verstoren. Ik heb na lezing van p. 218 alinea 2, alinea 311 verwenst. Dat is een fout. Amice, ik dank je zeer voor deze mooie studie. Ik ben zeer verlangend naar het tweede deel12 en zeg met prof. Van Dijk: laat het spoedig komen. Ik heb bij ’t lezen nog wel meerdere opmerkingen gemaakt, waaronder zeer vele in uw voordeel. Ik kan ze thans niet alle geven. ’t Is ook al weer enkele weken geleden dat ik je boek las. En nu den doctor heil! Met hartelijke groet, tt.

O. Noordmans.

(Origineel bij C. van Dorp te Zelhem)

Noten

  1. 1

    H. Stoel (1878-1966), hervormd theoloog, predikant te Vledder 1903, Sellingen 1913, Veenwouden 1923-1943, was met ON, F. Fokkema, A.M. Brouwer en W. Leendertz deelnemer aan het privatissimum van prof. Is. van Dijk te Groningen. Stoel en ON waren beiden betrokken bij het Friesch Godgeleerd Gezelschap; zie: H. Stoel, S. Cuperus, O. Noordmans Het Friesch Godgeleerd Gezelschap bij zijn eeuwfeest. Honderd jaar theologisch leven (Assen 1939). Stoel was lid van de commissie van oudleerlingen, die op 26.6.1917 aan Is. van Dijk bij diens emeritaat de complete uitgave aanbood van diens Gezamenlijke Geschriften 5 dln. (Groningen 1917). Zie ook: VW 1, 185, n. 1 en 238, n. 1.↩

  2. 2

    H. Stoel promoveerde op 14.11.1914 te Groningen over: Kardinaal Newman (1801-’90). Eerste deel. Zijn strijd om de ware Kerk (1801-’45). J.H. Newman (1801-1890), Brits Anglicaans, sinds 1845 R.K. theoloog, aanvankelijk een van de leiders van de Oxford Movement, bekend was hij om zijn geniale preken die hij in Oxford hield, aan zijn overgang naar de R.K. kerk ging een existentiële strijd van vele jaren vooraf. Belangrijk werk: Essay on the Development of Christian Doctrine (London 1845); Apologia of Loss and Gain (London 1848); Apologia pro vita sua; being a reply to a pamphlet entitled ‘What, then, does Dr. Newman mean’ (Oxford 1864, 1865) 20 (In 1873 verschenen als Apologia pro vita sua; being a history of his religious opinions); Essay in Aid of a Grammar of Assent (London 1870); Lectures on justification (London 1838) (in 1874 uitgebracht als Lectures on the doctrine of justification); Parochial and Plain Sermons 8 dln. (London 1868). Zie ook de latere discussie van ON met C.J. de Vogel, zie VW 6, 370-392; 410-414 en de brieven nrs. 607, 614, 623, 631, 658, 659, 660, 661, 662, 663 en 671 in dit deel.↩

  3. 3

    Lat.: op de man af.↩

  4. 4

    Lat.: op wiskundige wijze.↩

  5. 5

    H. Stoel, J.H. Newman 223-236.↩

  6. 6

    A.w., 223: ‘Onze taak is ... , volbracht, maar toch kan het misschien dienstig zijn nog te antwoorden op een vraag, waarmee men allicht de lectuur van een werk over Newman, den convertiet naar Rome, begint, en die na het beeindigen van de lezing van onze uitvoerige biografie misschien toch nog is blijven hangen. Men vraagt ... : waarom is Newman Roomsch geworden! wat heeft hem in de armen van Rome gedreven!’↩

  7. 7

    Van Dijk schreef over zijn Brand-interpretatie aan Ibsen en vroeg hem naar diens bedoeling. Ibsen stuurde in een gesloten enveloppe een visitekaartje, waarop stond: ‘Christiania, 27.11.1900: Dr. Henrik Ibsen kan grundsätzlich Ihre freundliche Frage leider nicht beantworten.’ Zie Is. van Dijk Gezamenlijke Geschriften dl. 4: Ibsen’s Brand met nabetrachting, (249-373). H. Ibsen (1828-1906), Noors toneelschrijver en dichter, schreef tijdens een verblijf in Italië de versdrama’s Brand (1866) en Peer Gynt (1867) waarin hij zich keerde tegen de bekrompen Noorse geest. Hij heeft nog vele andere maatschappijkritische toneelwerken op zijn naam staan, die vanwege de universele thematiek ook heden ten dage veelvuldig worden uitgevoerd. Is. van Dijk (1847-1922), hervormd theoloog, predikant te Veen 1871, Baambrugge 1875, Kollum 1877, Arnhem 1879-1883, hoogleraar RUG 1883-1917 (geschiedenis der godsdiensten, geschiedenis van de leer aangaande God en wijsbegeerte van de godsdienst), gaf in Groningen en later in Heusden leiding aan kringen voor predikanten.↩

  8. 8

    Citaat onbekend.↩

  9. 9

    E. Renan (1823-1892), Frans oriëntalist, historicus en litterator, aanvankelijk bestemd voor de priesterstand, maar al spoedig overtuigd van de theologische en historische onhoudbaarheid van het roomskatholicisme, werd als professor aan het Collège de France geschorst vanwege zijn anti-katholieke stellingname tijdens het onderwijs. Zijn meest geruchtmakende werk: Vie de Jésus (Paris 1863).↩

  10. 10

    ‘Treffend zijn de brieven aan en van zijn zuster. Zij vallen in denzelfden tijd als de briefwisseling van Ernest Renan, bij wien een soortgelijk proces maar in omgekeerde richting plaats greep, met zijn zuster Henriette.’↩

  11. 11

    Tweede alinea: ‘In den avond van 8 October kwam vader Dominicus te Littlemore aan. In ontroering wierp Newman zich aan de voeten van den missionaris en smeekte: zegen mij, mijn vader! Den ganschen nacht bracht hij door in gebed en den volgenden morgen ontving hij met Stanton en Bowles den voorwaardelijken doop.’ Derde alinea: ‘Op denzelfden 9den October 1845 kwam Renan, na St. Sulpice vaarwel gezegd te hebben, te Parijs aan, legde zijn geestelijk gewaad af, en trad uit de katholieke kerk.’↩

  12. 12

    Niet verschenen.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 290. H. van Eyck van Heslinga aan O. Noordmans6. Suameer292. H. Stoel aan O. Noordmans →