607. C.J. de Vogel1 aan O. Noordmans
Haarlem, 21 september 1938
Hooggeachte dr. Noordmans,
Zojuist las ik uw artikel ‘Newman en de oecumenische beweging’, naar aanleiding van de dissertatie van dr. Van de Pol in Nieuwe Theologische Studiën, november 1937.2 Artikels van u in Kerkopbouw van het vorige jaar hadden mij reeds eerder doen weten dat u door dit werk,3 en als ik het wel heb ook door enige van Newman’s eigen geschriften (de Essay on Development en de Grammar of Assent), werd beziggehouden. U noemde de dissertatie van Van de Pol hoogst verontrustend en vond er een reden in om naar verdediging of afweer uit te kijken (ik geef dit zo ongeveer uit mijn herinnering weer; excuseert u dat ik mij niet precies uw woorden herinner).4 Indertijd las ik uw stukken met zeer bizondere belangstelling). Nu ik vandaag (toevallig, door een gesprek met dr. Stoel van Veenwouden)5 uw artikel in de Nieuwe Theologische Studiën in handen kreeg, voel ik er min of meer behoefte aan u te zeggen hoezeer uw reactie (als ik dit woord mag gebruiken) op het werk van Van de Pol mij ‘begrijpelijk’ is - begrijpelijk, d.w.z. in hoofdzaak mij uit de ziel gegrepen. En met ‘in hoofdzaak’ bedoel ik dan niet zozeer uw redeneringen, uw theologisch standpunt of wat dan ook, maar juist die ‘reactie’, dat besef van gevaar, dat uitkijken naar hulp, dat hevige besef dat hier ‘iemand in het gezicht wordt geslagen’ en die iemand is, enz.6 Dat begrijp ik, beter dan het boek van Van de Pol. Ikzelf las dit boek kort na het verschijnen, in mei 1936, onmiddellijk na mijn eigen promotie. Vanaf dat ogenblik tot nu toe ben ik aan een stuk met die dingen bezig geweest. Met welk resultaat? - Laat mij u eerlijk zeggen: Neen, ik ben niet de hulp geworden waarnaar u uitkeek. Helaas niet? Dat kan ik niet zeggen. Het oordeel is niet aan ons. Ik weet dat velen zullen menen dat ik met dit werk op een dwaalweg ben geraakt. Ikzelf geloof het niet. Ik heb het gevoel op de rechte weg te zijn. Het boek van Van de Pol, in het voorjaar van 1936 gelezen, na een ‘inleidend’ gesprek met de schrijver (waarbij veel gesproken werd door hem en uiterst weinig door mij), liet mij de indruk na: hierover kan men nu niet spreken; hierover kan men ook geen brief schrijven. Men kan enkel aan het werk gaan en minstens een boek schrijven. Ik ben onmiddellijk aan de voorstudie begonnen. Tot in het najaar. Toen gebeurde er iets. Er gebeurde dit, dat ik Newman’s Lectures on Justification7 las, en daarna ging ik zijn preken lezen. Deze, de Lectures on Justification en de preken van Newman, ‘deden’ bij mij wat de Apologia8 en Loss and Gain9 tevoren geen ogenblik hadden gedaan: ze hadden me ineens en helemaal. Zo is er dan in de loop van de laatste twee jaren een ander boek geschreven dan ik heb willen schrijven. Het is geworden, niet bedoeld. Het is begonnen om mij rekenschap te geven, om tot klaarheid te komen over het protestantse dogma, over de kern van onze kerkelijke prediking. Dogmenhistorisch in het begin, later meer dogmatisch; synthetisch in het begin, later leidend tot een keuze. Die keuze is voor mij niet licht geweest. Zij was min of meer een decretum horribile.10 Maar zij moest gedaan worden. Het heeft niet anders gekund. U begrijpt wat ik bedoel: ik voel het net zo als u, dat men niet zonder fel innerlijk verzet een boek als dat van Van de Pol kan lezen. Ook tegenover Newman zelf was voor mij jaren lang principiële afweer het enige. Tot op dat punt waar men ineens moest gaan luisteren, en toen ook lang en diep luisteren. En daarmee kwam het conflict. Zo is mijn grote boek Newman’s gedachten over de rechtvaardiging11 geschreven. Ik kan u mijn resultaat moeilijk in enkele woorden schrijven. Ik heb er 750 bladzijden in manuscript voor nodig gehad, en dat is nog weinig. Op allerlei punten is de uiteenzetting zeer kort, zoals u bij gelegenheid wel zult kunnen zien. Hoe dit zij ik heb getracht de zaak eerlijk uit te vechten. Het is een hevige strijd geweest, een zelfgesprek waarin voortdurend tegenstemmen werden gehoord. Nu zullen we het maar uit handen geven. Als u, wanneer het verschenen zal zijn (over enkele maanden), het geduld zult hebben die 500 bladzijden tot aan het einde te lezen - en ik hoop dat u dat doen zult - mag ik misschien door een recensie ook van u eens iets erover horen. U zult dan misschien oordelen dat ik aan de verkeerde kant terecht gekomen ben - of misschien ook niet helemaal; maar in elk geval toch niet ‘zomaar’, niet zonder lange en hevige strijd. Wanneer u tegenwoordig niet zo ver van hier woonde, zou ik graag eens met u over bepaalde dingen willen spreken. Nu gaat dat minder gemakkelijk. Weet u dat ik jaren geleden in de winter van 1923 hier in Leeuwarden lezingen van u heb gehoord over Cicero en Augustinus? ’t Kan zijn dat het er meer waren, maar ik herinner me deze twee. Met de meeste hoogachting, uw
C.J. de Vogel.
(AN)