Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 6. Suameer

Weergave

314. A.M. Brouwer aan O. Noordmans

Oegstgeest, 8 maart 1920

Amice frater,

Laat ik niet te lang wachten met je op je laatste brief1 te antwoorden, want ik voel diep met je mee wat dit droevig bericht voor je gezin, voor jezelf inhoudt. De toestand zal wel niet zo ernstig zijn als ’t met Bon ’t geval is,2 bij wie nog altijd geen beterschap is waar te nemen, ofschoon de dokter steeds goede moed houdt en bij jaren rekent. Maar voor dit ogenblik zit je dan alleen zonder de steun van je vrouw. En dat, als men in moeilijkheden van andere aard zit, is zeker een heel moeilijk ding. Een vrouw schijnt anders te reageren op persoonlijke onaangenaamheden dan de man. Daardoor is ’t voor ons zo moeilijk om op te merken wat en hoe het haar hindert. Tenminste zo is ’t hier gegaan. En het heeft mij heel veel strijd gekost om de toestand te aanvaarden, inzonderheid daar hij hier te wijten is aan de onchristelijke handelingen van vooraanstaande ‘christenen’. Maar dit te schrijven zou bladzijde aan bladzijde vereisen en waartoe tenslotte? Ik heb vrede gevonden in de overtuiging, dat ook achter de tussenoorzaken (die voor zichzelf de verantwoordelijkheid moeten dragen) God als Leider en Regeerder staat, Die tenslotte Zijn bedoeling heeft om de dingen alzo toe te laten of te doen lopen. Ik heb het leven veel te naïef opgenomen. Ik heb gedacht: als ik mij geef aan mijn werk, dat een mooi en groot werk is, dan volbreng ik daarin mijn levenstaak en dus Gods wil. Maar ik heb mij daarin blijkbaar vergist. Het is Gods wil, dat ik tegenover allerlei mensen mijn houding bepaal en tegenover wie mij diep antipathiek zijn, altijd mijzelf overwin. En daarbij is mijn studie eigenlijk mijn retraite, mijn medicijn. Maar het leven zelf is een worsteling, waarbij vaak de ondergang nabij schijnt. Wat mij daarbij nog ’t allermoeilijkst is, is dat Bon slachtoffer is geworden en nu voorgesteld wordt als de aanleiding, waardoor de anderen zich van hun schuld trachten vrij te pleiten. Dit zijn de verschrikkingen van het leven, dat zo heel anders was dan naïeve jongelingsdromen het zagen. En dan van zulk een terrein van innerlijke strijd gaat ’t zendingswerk uit. Dit zijn de verschrikkingen van het christelijk leven. Welk een genot, dat voel je toch wel, in studie Lethe3 te vinden ... Maar waarom dit alles over mij te schrijven? Genoeg om je duidelijk te maken dat ik je worstelingen mee gevoel. Maar dan mag ik toch ook zeggen, dat boven dat alles God toch de God van liefde en genade blijft en Hem te vinden de enige blijvende kracht geeft. ’k Schreef ’t vorige jaar een preek, een preek voor mijzelf, die in Overdenkingen4 uitkwam en ik je hierbij stuur. Er zijn er die haar ‘mooi’ vinden. Laat ik je zeggen, dat ze met mijn hartebloed geschreven is. Misschien dat zij je helpen kan of enige steun geven. Tenslotte is dit leven een leerschool. Wanneer God ons een heel moeilijke taak geeft, dan zal dat toch niet boven onze kracht gaan. en Hij zal Zijn zegen er in willen leggen. Dit alles wou ik je zo eens zeggen. Ik weet wel, dat jij ’t nog beter zeggen kunt dan ik. Maar het bedoelt ook niet anders te wezen dan een handdruk uit de verte. Al is de winter bar en koud het zal toch lente worden. Mijn hartelijke groeten, tt.

Nus Brouwer.

(AN)

Noten

  1. 1

    Niet bewaard gebleven.↩

  2. 2

    Bon, de vrouw van Brouwer is in 1918 geestesziek geworden.↩

  3. 3

    Lethe, in de griekse mythologie: rivier van de onderwereld waaruit de schimmen drinken om te vergeten.↩

  4. 4

    In 1919 verscheen in het tijdschrift Overdenkingen de preek ‘Vergeten’.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 313. A.M. Brouwer aan O. Noordmans6. Suameer315. O. Noordmans aan D. Boer →