317. O. Noordmans aan D. Boer
Suameer, 6 september 1920
Geachte collega,
Heb m’n bijzondere dank voor uw uitvoerige adviezen. Ik heb daaruit kunnen opmaken, dat ik niet in het enige of ergste geval verkeer. Uw kerkvoogden maken het werkelijk niet beter. Bovendien zullen zij over fondsen te beschikken hebben. De mijne niet. Er was dit jaar - hoewel voor ’t eerst sedert lange jaren - een tekort van +- f 260,-. Men was hier gewoon in de vacatures wat vooruit te boeren, iets uit de diakoniekas te gebruiken voor sommige posten, die op de diakonierekening stonden in plaats van de kerkerekening en zoals ge zien kunt uit bijgevoegde stukken was men ook niet afkerig van geld, dat voor de predikant was bestemd. Alleen een hoofdelijke omslag achtte men uit de Boze. Nu heb ik toen ik hier kwam direct de baten uit de diakonie gestopt, wat kwaad bloed zette. In de tweede plaats werk ik, zonodig, onder persoonlijk conflict, zodat de zitplaatsen niet zo heel hoog verhuurd worden. En dat met bijdragen voor het traktement en pastoralia (het traktement, dat ook nu nog zeer onvoldoende is) de kas van de kerk jaarlijks voor f 1.000,- tot f 2.000,- zou gespekt worden, vond ik ook al niet goed. Gevolg was dat de kas van kerkvoogden nu tenslotte met reuzevaart naar beneden gaat en een hoofdelijke omslag niet te ontkomen zal zijn. Ik heb echter de indruk dat men liever de zaak laat vastlopen om mij de grond heet onder de voeten te maken. Men berichtte mij dat er een tekort was van f 260,-, dat het huis dus niet kon geverfd, het hek niet vernieuwd en het dak niet beveiligd. Ik heb een schrijven tot kerkvoogden gericht, waarvan hiernaast afschrift gaat. Zoals ge ziet heb ik dus ten opzichte van uw advies een tussenweg bewandeld. Ik heb om te beginnen een zekere publiciteit gekozen. Wel heb ik, wat u mij aanraadde, het euvel ten toon gesteld. Het verrotte hek heeft een paar weken de aandacht van ’t publiek, ook ’t kerkpubliek, getrokken. Verder heb ik zoals ge zien kunt, kerkeraad, Classicaal Bestuur, Provinciaal Kerkbestuur en de Bond er mee in kennis gesteld. De bodem dus voor actie voorlopig geklaard. Dit is reeds niet geheel zonder succes geweest. Wij krijgen, zo hoorden we gisteren van de timmerman, nu een nieuw ijzeren hek. Overigens blijft de toestand nog wel onopgelost. Het zal misschien het beste zijn om nu de ontwikkeling van de traktementsregeling af te wachten.1 Want dan moet men hier natuurlijk duidelijk kleur bekennen. Ik ben het volkomen met u eens, dat aan de orde gesteld moet worden de rechtspositie van de predikant in ’t algemeen en van de pastoriebewoner in ’t bijzonder. Het is een smadelijke positie, waarin wij daarbij verkeren. Dat nalopen van kerkvoogden, die zulke dingen meestal zonder tact behandelen, is een kruis. Wij zijn er ook reeds van afgestapt. Wij negeren kerkvoogden als we merken, dat ze ons onze afhankelijkheid willen laten voelen. Dan laten we ze lopen. Hier bestaat, wanneer men tot kerkelijke actie wilde overgaan, het grote bezwaar dat volgens Reglement de kerkvoogden geen lidmaten der gemeente behoeven te zijn. Dit is ook op vele plaatsen elders het geval. Art. 2, laatste alinea, van het Reglement op het Beheer, rekent daarmee.2 Het daar genoemde geringe aantal van stemgerechtigde manslidmaten bestaat weliswaar hier ter plaatse niet meer, maar het Reglement op het Beheer te Suameer is zo moeilijk te wijzigen volgens de slotbepalingen, dat ik tot wijziging geen kans zie. Gecensureerde kerkvoogden zouden derhalve toch kerkvoogden blijven. In Noord-Holland schijnt u daarmee niet te hebben te kampen. Verder is ’t Provinciaal Kerkbestuur in Friesland van geheel andere mentaliteit dan dat van Noord-Holland, zoals u kan blijken uit m’n bijlage. Er zit niets in wat de Fransen ‘du Lion’3 noemen, ten opzichte van deze kwesties. De Bond zal een nieuwe geest moeten kweken. Uw eerste succes is een felicitatie waard. Gij moogt zeggen ‘quorum pars magna fui.’4 Er was heel wat te overwinnen. Het is van u, geloof ik, bijzonder goed gezien, dat de tweede stoot moet gericht zijn tegen onwillige kerkvoogdijen. Dit is vooral nodig om morele redenen. Zoals ’t Reglement op de Predikantstraktementen er nu ligt,5 worden de pioniers der kerk, de predikanten, die in de conflicten staan, de voorposten, gedesavoueerd. Ze worden aan de heidenen overgeleverd. Als voorposten zonder dekking gelaten door een terugtrekkend leger. Dit zou alleen geoorloofd zijn uit een oogpunt van tactiek. Niet een ‘vlucht’ mag hen worden toegeroepen, maar een ‘houd stand’. En wanneer de kerk hen dat laatste toeroept mag ze dat alleen dan, als ze in haar geheel bezig is zich voor te bereiden hen te ontzetten. Anders was er geen lafhartiger streek denkbaar.6 De tweede stoot moet dus en zo snel mogelijk tegen onwillige gemeenten gericht zijn. Wanneer er geen directe weg mogelijk is, zou een indirecte moeten worden gekozen. Men zou deze voorposten de vrije hand moeten laten om zich te verdedigen en hun positie te redden. M.a.w. de kerkelijke reglementen zouden ten hunner opzichte moeten worden gesuspendeerd. Het gaat toch niet aan om een predikant tussen een gemeente en de kerk dood te drukken. Hem aan de heidenen over te leveren en wat het recht betreft hem strak te houden in z’n plichten. Misschien schrijf ik over deze dingen het gevraagde artikel, maar dan voor ’t Orgaan van oktober.7 Hierbij derhalve afschrift van brief van 6 september 19208 aan kerkvoogden en relaas pastoralia. Ze zijn niet voor publicatie bestemd. Met collegiale groeten, tt.
O. Noordmans.
(ABNP)