325. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Oegstgeest, 25 april 1921
Amice frater,
Eerst nu kom ik er toe je brief van de 16de te beantwoorden, allereerst om mijn hartelijke deelneming uit te spreken met het verlies van je schoonmoeder die zo haastig weg is geweest. Wat zijn je schoonouders1 elkander gauw gevolgd. Dit zijn wel zeer ernstige tijden voor jullie, voor je vrouw niet ’t minst, wie je ook mijn hartelijke deelneming wel zult overbrengen. Mogen jullie getroost en gesterkt worden in deze droevige tijd. Zo is ’t leven telkens vol van wisselingen en veranderingen, ook van scherpe tegenstellingen, waar je brief, die deze droevige tijding bevatte, tegelijk dienen moest om mij geluk te wensen.2 Dit zal ook in mijn leven grote verandering brengen, in deze eerste tijd ook buitengewone drukte. En dan wordt dubbel gevoeld het gemis van mijn vrouw. Nu moet ik zelf maar zoeken en beslissen en verhuizen. Overigens is het inderdaad een goede oplossing en begroet ik deze benoeming, waarvoor ik mij niet heb voorbereid, als mijn vrijmaking. Het zijn daardoor sterker negatieve dan positieve vreugden. Het werk onder de jongelui hier beviel mij en ging goed. Zal ik voor studenten ook dat kunnen wezen wat ik hier ben? Zullen studenten niet een ongrijpbaar ijle substantie zijn, die als de morgennevel aan je voorbij zal strijken? Zal ik inderdaad wetenschappelijk wat kunnen leveren, waaraan ze wat hebben? Ziedaar allerlei vragen, waarop de toekomst eerst antwoord kan geven. Ik voor mij zal mijn best doen om te geven wat ik heb en te zijn wat ik kan. Maar dadelijk doen zich al moeilijkheden voor met de woning. Te huur is er niets. Alleen dure huizen te koop, die over enige jaren waarschijnlijk een derde of de helft minder waard zijn. Dan heeft Utrecht op dit ogenblik 15% gemeentebelasting, wat een volgend jaar nog vrij wat hoger heet te worden. Daardoor is ’t wel aangewezen niet in Utrecht zelf te gaan wonen, maar het voorbeeld der andere proffen te volgen en buiten te gaan wonen. Maar waar? ... En zo zijn al dadelijk de vragen vele. En dan moet deze brief ook nog dienen voor een kleine kapitteling. Je schrijft van te hopen in dezelfde verhouding te blijven, en van prof. en van gewoon mens, en al soortgelijks. Daar moet ik toch even zeggen: kerel, hoe kom je derbij? Ben ik iets veranderd, iets beter, iets anders, iets meer geworden - innerlijk -, nu de mensen straks prof voor mijn naam zetten en mij daarmee betitelen? Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik er mijzelf niets beter en ook niets gelukkiger door voel - alleen voel ik bij de dag meer: straks weer een vrij man, zonder eigenwillig heen gegaan te zijn, zonder het gezocht te hebben, maar gemaakt, weer vrij man gemaakt! Dat voel ik als een steeds toenemende blijdschap ... Maar verder? Ik geloof nu voortaan nog meer dan tot nu toe behoefte aan vriendschap en sympathie te zullen hebben. Want het komt me voor, dat de weg steeds eenzamer wordt. En daarom ligt het juist op mijn weg te vragen: maak mij de eenzaamheid niet groter, maar help mee haar weg te nemen. Je doet er een goed werk mee. Met Bon is ’t nog hetzelfde. Ze was in de Paasvacantie een dag of vijf thuis, wat haar, geloof ik, wel goed heeft gedaan maar geen keer in de toestand heeft gebracht. Met de kinderen gaat het goed. Hartelijke groeten, ook aan je vrouw, tt.
N. Brouwer.
(AN)