357. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Laren, 5 augustus 1926
Hooggeachte Collega,
Uw schrijven van 28 juli jl. heb ik met veel belangstelling gelezen en er over nagedacht. Ik voel mij wel een beetje bezwaard door de omstandigheid, dat U in ’t onderwerp zit, wat met mij niet ’t geval is en dat ik U nu zou gaan geven wat op een advies zou kunnen lijken. Wanneer U die gedachte geheel terzijde wilt stellen, ben ik gaarne bereid voor zoover mij dat mogelijk is, op Uw brief in te gaan. - Ik wil beginnen met te zeggen, dat het onderwerp buitengewoon aantrekkelijk is en ik kan mij voorstellen, dat het U niet loslaat en dat U moeite hebt het onderwerp los te laten. Maar Uwe moeilijkheden kan ik levendig meegevoelen. Het is een reuzencomplex van grensbegrippen. En waren het nog maar grensbegrippen! Dan kondt U ze, na aanwijzing met rust laten. Maar het kenmerkende van de bedoelde wereldleer is juist, dat ze over de grens gaat. Men moet min of meer kunstenaar zijn om deze theologie-over-de-grenzen uit te beelden. Kierkegaard1 beoefent de dialectische kunst. Dostojewsky2 is litterator. - Uw dissertatie moet nu weer een meer rustige samenvatting of aanwijzing zijn van het boven-empirisch bewogene. U wilt dus tot op zekere hoogte met Uw buit weer binnen de grenzen terug. En daarin ligt, ik begrijp dat levendig, telkens het gevaar, het essentiële te moeten prijs geven. Kent U Kierkegaard goed? Dat lijkt mij wel een eerste vereiste. En verder lijkt mij het materiaal te liggen op de toppen van de wereldlitteratuur, op dezelfde hoogte, de sneeuwgrens van Dostojewsky. Daar, waar de grote Fascinatio,3 boven alle leven uit, begint. Leest U Dostojewsky in vertaling of in origineel? Voor dit boven ‘experimentele’ en boven - ‘intuïtieve’, zooals U ’t noemt, zou men geneigd zijn een vertaling onvoldoende te achten. - Maar met dit alles breng ik U niet veel dichter bij huis. Ik illustreer enkel Uwe moeilijkheden. Inderdaad zie ik geen kans om zoo, ‘in ’s Blaue hinein’ U veel te zeggen, wat U zou kunnen dienen. Dit zou, in ’t beste geval, alleen mogelijk zijn voor een bepaald punt, waar men de moeilijkheid duidelijk voor oogen had. Het is er U juist om te doen om uit de meer algemeene sfeer uit te komen en hier en daar het individuele naar hooger orde in het oog te krijgen. Uw onderwerp is geweldig mooi, maar als U niet kunt opschieten, zou beperking toch wel overweging verdienen. - Wilt eens komen praten dan ben ik daartoe gaarne bereid, als U vooraf even schrijft. Uw tweede moeilijkheid betreft de pastoraal. U vraagt mij ‘iets’ daarover te zeggen. Ja, ik geloof, dat wij Hollanders met huisbezoek allemaal onze moeite hebben. Er is iets van een réveil nodig om ons over de brug te brengen. Daarom mag ik misschien mij beperken, waar ik u persoonlijk niet ken, het ‘iets’, dat ik er over opmerk, in verband te brengen met het laatste gedeelte van wat u schrijft over deze aangelegenheid, de invloed van uw theologische gezichtspunten. En dan kan ik er niet helemaal inkomen, hoe de ‘Einstellung’ van uw theologie, voor zover ik die zie, u zou scheiden van anderen. Mijn indruk is, dat, als het theologische tegenover het ethische meer op de voorgrond komt, de zielszorg daardoor, ik zeg niet gemakkelijker, maar toch, laat ik zeggen, minder aanmatigend wordt. De barmhartigheid Gods moet het ons allen gelijkelijk doen. Mag ik voorlopig met deze éne gedachte volstaan? Mochten we elkaar ontmoeten, dan leent zich vooral dit practische vraagstuk beter voor bespreking. Inmiddels met collegiale groeten, hoogachtend, uw dw.,
O. Noordmans.
(AKHM)