356. K.H. Miskotte1 aan O. Noordmans
Meppel, 28 juli 1926
Hooggeachte collega Noordmans,
Vergun me tot u te komen met twee kwesties, die mij zeer na ter harte gaan en in welke ik uw raad en voorlichting en kritiek zeer op prijs stellen zou. Iets stoutmoedigs ligt daar wel in; maar, wees overtuigd, wanneer ik iemand anders in ons goede Holland wist, dan zou ik u in uw rust niet storen, u, die ik bovendien eigenlijk niet ‘ken’. Toch meen ik u in zoverre te kennen, dat gij de ernst van mijn vragen voelen zult en genegen zult zijn er op in te gaan. Het eerste dan betreft de moeilijkheden, die ik ondervind, nu al een jaar bij m’n dissertatie: onderwerp: ‘de anthropologie van Dostojewski’2 (Voorlopige titel natuurlijk). De bedoeling is uit het oeuvre van Dostojewski een menskunde af te lezen, die a) alle psychologie (experimentele en intuïtieve) te boven gaat, b) in zichzelf, d.i. in z’n negativiteit een theologie en met name een theodicee vindiceert of minstens daarvoor: ruimte schept. Het geschrift zou een religionspsychologische illustratie kunnen zijn van het levensgevoel, de Einstellung van de Zwitserse theologen. Telkens dwaal ik in wanhoop met m’n blikken, door andere, eenvoudiger af te grenzen, methodisch strakker te houden onderwerpen in de buurt van het mijne; maar het onderwerp blijft een fascinatie voor mij behouden. De voornaamste moeilijkheid is dat ik in het tussendeel (na het descriptieve en vóór het wertende) de fenomenologische methode toepassen wou, maar een onbehagelijk gevoel heb telkens aan de grenzen van het dilettantische, van het essay, van het fraseologisch-geistreiche te komen, en dat, terwijl ik toch in aanleg meer dogmaticus dan literatuurproever ben. Nu is mijn vraag: ziet u perspectief in dit onderwerp? Wat dunkt u van de methodische moeilijkheden? Misschien wilt u me voorlopig daarover iets zeggen; en misschien mag ik midden augustus, als ik toch in de Steeg ben, bij u eens een middag komen praten. Het tweede betreft mijn ‘Hemmungen’ in het pastorale werk, sinds ik de Barthse theologie ‘existerend’ ga denken. De omgang met mensen in de ‘zielzorg’ was voor mij van meet af gedrukt door wat ik de ‘weerstand van mijn kuisheid’ noem; de ánder moet komen, dat allereerst (en dán nog?); maar wat nu, wanneer je persoonlijkheid niet lokt tot openheid en spontane zelfbelijdenis tegenover haar? Het gewicht van de enkele ziel is zo ijzig licht geworden, de waarde van wat in het bewustzijn van mens tot mens overgaat zó negatief, zo heenduidend, dat een aarzeling, een schroomvalligheid, die aandoet als slapheid, mij is gaan beheersen. Het huisbezoek, hoewel ik mij ‘makkelijk beweeg’ is voor mij een kwelling geworden, nog afgezien van de bodemloze oppervlakkigheid die de zogenaamde ‘ethische’ feitelijk methodistische prediking hier gewekt en onderhouden heeft als religieuze bestaansvorm, als summum bonum,3 heilige idylle, zuiver midden des levens. Wilt u zo goed zijn iets, iets ook maar, hierover te zeggen uit uw bezonken ervaring? Geloof mij, met de meeste hoogachting, uw dw.
K.H.Miskotte.
(AN)