369. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Laren (G.), 7 maart 1928
Geachte collega,
Uw brief1 kreeg ik in een tijd, dat ik buitengewoon bezet was en zo bleef uw schrijven enige tijd liggen. Misschien voor uw doel2 te lang. Ik verzoek u dit uitstel te willen excuseren. - Veranderen van batterij, zoals gij doet is altijd betrekkelijk jammer. Het brengt veel verlies van tijd en moeite, al zijn die natuurlijk niet absoluut verloren. Of Kohlbrugge iets voor u zou kunnen zijn? Ik geloof wel, dat het mogelijk is vanuit Kohlbrugge’s prediking theologische grondstellingen daarachter op te bouwen, maar het bezwaar is, dat de onmiddellijkheid daaronder lijdt. Het vraagstuk van een religieuze fenomenologie en de metafysica is wel actueel, voorzover naar de verhouding tussen beide gevraagd wordt en in die vragen zoudt ge dan middenin zitten. Kohlbrugge-literatuur is er niet zo heel veel. Ge vindt die aangegeven in de ‘Voorrede’ bij Van Lonkhuyzen,3 althans wat z’n leven betreft. - Hoe Kohlbrugge tot z’n inzichten gekomen is? Ik heb de indruk, dat hij een sterke Luther-lezer is geweest en in vrij directe aansluiting aan deze z’n inzichten heeft verkregen. Kohlbrugge had het gevoel oorspronkelijk te zijn en van de dwaalleraars, die hij wist op te noemen, zonderde hij soms alleen Luther uit. Een bibliografie geeft Van Lonkhuyzen achter z’n dissertatie. Ene Gobius du Sart4 ken ik niet. Wanneer ge op dit onderwerp zoudt willen ingaan, dan zal Locher5 uit Leiden u zeker veel inlichtingen kunnen geven. Hij is een geleerd Luther- en Kohlbruggekenner. De keuze zelf? Ja, wat zal ik zeggen. Het is een zo persoonlijke zaak. Plat getreden is dit gebied zeker nog niet. En het opent vele perspectieven op de centrale ideeën in de theologie. Ik hoop dat ge een goede beslissing zult kunnen nemen. Met hoogachting, uw dw.
O. Noordmans.
(AKHM)