388. O. Noordmans aan A.M. Brouwer
Laren (G.), 11 januari 1931
Amice frater,
in antwoord op je schrijven van 9 januari j.l. wil ik even meedelen, dat ik de vraag, wat er in het manifest1 zal staan over de organisatie, zie als een kwestie van feiten. De vergadering van het moderamen besloot een categorische uitspraak te doen in deze vorm: ‘terwijl ook de organisatie een beletsel vormt.’ Ik zie niet, hoe daarin, zonder alles weer op losse schroeven te zetten, verandering kan worden gebracht. Mij niet alleen interesseert dit punt, maar ook anderen. Zeydner2 was reeds per auto bij mij om er over te spreken, dat het weggelaten was en dat hij er niet over geschreven heeft, is enkel gevolg van mijn geruststellende verzekering, dat ik jou en Van der Leeuw3 gesproken had en dat je ’t beide toestemde, dat ’t zo afgesproken was en dus ook zo gemanifesteerd moest worden. Dat ik ook reeds had geschreven aan ’t aangegeven adres.4 Het betreft hier een hoofdpunt in het manifest en de indruk naar buiten hangt ervan af. Synodaal of kerkelijk, dat is de verschillende indruk, die het maken zal. Ik meen, dat met wijziging van de afgesproken formulering onze gehele consensus in duigen zou liggen. Met vriendelijke groeten, tt.,
O. Noordmans.
(ANHK)