406. G.W. Oberman1 aan O. Noordmans
Utrecht, 15 januari 1932
Beste ds. Noordmans,
Er is door ons na 28 november 19312 geen brief geschreven aan Herstel om te confereren.3 Hierbij voeg ik de verklaring, die het moderamen nodig vond te zenden aan ‘Herstel’ en enkele dagen later te publiceren.4 Op deze brief zal Evenhuis5 doelen en u op een dwaalspoor hebben gebracht. Overigens heeft u volkomen gelijk dat wij niet buiten onze commissie van contact6 om een invitatie lanceren moeten. Tegelijk zend ik u een tweede brief. Nu van Herstel aan ons.7 Het lijkt ons (prof. Brouwer en mij)8 nodig dat onze commissie van contact van dit schrijven kennis neemt. 10 februari zal over de inhoud beraadslaagd worden.9 Blijkbaar is deze brief geschreven na de vergadering met u.10 ‘Herstel’ wil nog wel eens praten. Uw indruk is een andere. Ik zend u dus p.o. deze brief. Overigens, dit in vertrouwen, ik hou mijn hart vast voor die grote vergadering waar de kerk weer als kerk zal spreken.11 Leve de demokratie. Maar hierover mondeling. Hartelijk gegroet. Tot 10 februari. Hartelijke handdruk en meeste hoogachting, uw vriend
G.W. Oberman.
(AN)