416. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel, 9 november 1932
Beste voorzitter2 en vriend!
’t Regent hier geweldig. October heeft ons wel geleerd dat gelaten aan te zien, maar diezelfde maand heeft mij nog niet bijgebracht zo’n gietbui ‘als niets’ te achten. Werkelijk ik durf de tocht naar Almen3 niet aan en zeer hartelijk hoop ik dat ge mijn woord wilt teruggeven, want deze week heb ik absoluut geen gelegenheid meer. Gisteren dan? En ik zie de ‘heffing uwer brauwen’. Toen ben ik na de koffie direct in m’n mandje gekropen om daar koesterende warmte te zoeken, want ik was niks nie lekker nie. Zwaarbenig, loom, vervelend! En heel m’n voorgenomen tocht naar Almen viel in ’t water zou ik bijna zeggen, maar dat is toch te gek als je warm onder de wol ligt, enfin, daar is niets van gekomen. En voor de zoveelste keer in m’n leven verstond ik dat wij wel plannenmakers, maar daarom nog geen plannenuitvoerders zijn. Gisteravond, dit tot uw geruststelling, zat ik weer op de meisjesvereniging en heb daar ’n uur gelezen en nu zit ik rustig op m’n studeerkamer en verkneuter me, ondanks wat huiverigheidjes, nog in het feit, dat ik bezig ben toe te geven aan m’n epistolaire verlangens. Ik heb heel goed onthouden dat je onze tijd verweet alleen maar zakenbrieven te kunnen schrijven en nu heb ik ’n beetje schik dat ‘die denker daar achter de IJssel’ juist eens een brief ontvangt waarin absoluut geen sikkepit zakelijkheid te vinden is. Ge weet niet hoe vaak je me verkwikt juist door zulke opmerkingen. ’k Heb me wel eens beschaamd en verlegen gevoeld als ik zulke halve velletjes ontving, nog maar gedeeltelijk beschreven en ik herinnerde me dan mijn volgeschreven vlakken, die misschien wel goedmoedig zijn ontvangen, mogelijk tot het eind nog wel gelezen, maar toch ongetwijfeld beschouwd zijn geworden als bewijs van te stammen nog uit voorbijgegane tijd. M’n lieve man, ik schrijf met ’n gewone pen, geen vulpen zelfs in de buurt en schrijfmachines zijn nog nimmer door me aangeraakt met serieuze bedoelingen. Of dat ook iets is van de ouwe stempel? Met groot genoegen heb ik Pascal II4 gelezen, vriendelijk dank daarvoor. ’k Wou zo graag dat ge ons nog maar weer liet luisteren. Toe, laat de Regenboog maar ’n kraan in dat Larense vat mogen slaan. Het wordt niet leeg al stroomt het maandelijks ettelijke uren en ge zoudt veel verkwikking bereiden aan mensenkinderen zoals ik, die bij al wat ze verloren hebben of nog nooit bezaten, toch nog dankbaar zijn met het weten, dat hun belangstelling voor heel veel nog steeds onverflauwd bestaat. Tenslotte, en hier is ’n korreltje zakelijkheid, ’k zal Semmelink5 eens schrijven. Met vriendelijke groet, ook aan uw vrouw, die ik nog steeds dankbaar als voortreffelijke gastvrouw gedenk, mede namens mijn vrouw, gaarne tt.
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)