420. Ph.A. Kohnstamm1 aan O. Noordmans
Ermelo, 10 januari 1933
Waarde Heer Noordmans,
Hartelijk dank voor uw artikel,2 dat ik gisteravond ontving en aanstonds met grote belangstelling las. Ik heb zeker voor geen van mijn drie delen nog zoveel van een bespreking mogen leren als van de uwe. Juist daarom zou ik zo graag over allerlei punten nog eens nader met u praten, want het blijkt mij wel weer opnieuw, hoe moeilijk de gedachtenwisseling is voor mensen, die uit zo verschillende sferen komen als de theologie en de moderne natuurwetenschap. Ben ik onbescheiden, als ik vraag, of de vergadering der Reorganisatie-commissie3 op 17 januari (want de voorzitter deelde mij mede, dat zij op die datum is vastgesteld) wellicht gelegenheid zou kunnen bieden om nog een paar uur samen te praten? Zoudt gij misschien die middag mee naar Ermelo kunnen komen en bij ons overnachten? Ik zou het waarschijnlijk ook zo kunnen inrichten, dat ik na onze vergadering nog in Utrecht met u blijf praten; maar de eerste oplossing ware mij liever. Mijn vraag is niet geheel egoïstisch, want ik ben juist bezig geweest, op verzoek van de Eltheto-redactie, met een stuk over theologie en natuurwetenschap,4 dat in hoofdzaak loopt over die ernstige moeilijkheid van het onderling verstaan van de theoloog en de natuuronderzoeker. Met vriendelijke groet, steeds gaarne uw,
Ph. Kohnstamm.
(AN)