425. R. Houwink1 aan O. Noordmans
Zeist, 28 april 1933
Zeer geachte Heer,
Hedenmorgen kwam uw uitvoerige brief in mijn bezit, waarvoor ik u hartelijk dankbaar ben. Het is misschien niet nodig er veel over te schrijven. Alleen dit: u hebt er mij zeer mee geholpen! Wat daarom heen en daarachter ligt aan erkentelijkheid, vreugde en bereidheid tot weer die worsteling, laat zich op briefpapier moeilijk zeggen. Maar ik wilde u in elk geval dadelijk even schrijven, omdat ik u juist voor de ontvangst van uw brief een hoofdartikel in ’t UD2 met Pasen ter lezing zond in de veronderstelling, dat u nog niet aanstonds tijd zoudt hebben mij te antwoorden en het dan ‘op de koop toe’ zoudt kunnen nemen. Nu wekt het de indruk of ik mij plotseling als een lastige klit aan u vasthaken wil en u lastig vallen met mijn pennevruchten. Vandaar, dat ik u haastig deze ‘verklaring’ toezend ter geruststelling. Het valt niet mee in een ‘liberale’ courant hoofdartikelen voor de erkend christelijke feestdagen te schrijven, die niet als ‘dogmatisch’ kunnen worden afgedaan en die toch ook niet (althans niet willen!) honingzoete ‘religieusiteit’ zijn! Met grote dank en hoogachting, uw
R. Houwink.
(AN)