Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 7. Laren

Weergave

426. O. Noordmans aan Kerkopbouw

Laren (G.), 29 mei 1933

Zeer geachte Heer,

Op 10 mei heb ik ’s av. 8 uur te Deventer voor Kerkopbouw gesproken.1 De vergadering was uitstekend voorbereid en werd geleid door ds. Van Rhijn.2 Hiernaast geef ik een kort verslag.3 Na afloop was er gelegenheid tot debat. Hoogachtend,

O. Noordmans.

(AKO)

Noten

  1. 1

    Dit is de lezing ‘Kerkopbouw-Kerkherstel’. Zie VW 5, 203-209.↩

  2. 2

    M.A. van Rhijn (1863-1940), hervormd predikant o.a. te Apeldoorn 1898, Twello 1910, 1935 em.↩

  3. 3

    Waarschijnlijk is dit het verslag in KO 2 (juni 1933) nr.2 (vgl. VW 5, 207 n.1.), dat dan van de hand van ON zelf is, hoewel het mogelijkerwijs redactionele ingrepen heeft ondergaan. Het volgt hier integraal: ‘Spr. begint met te zeggen dat er enige moed voor noodig is om over Kerkopbouw te spreken. Met het oog op wat in Rusland en Duitsland gebeurt, vraagt men zich af of het niet te laat is. Na de absolute bijbelcritiek van het bolsjewisme komt nu de politieke bijbelcritiek van het nationalisme. Zal de kerk daartegenover stand houden? - Op die vraag zal God antwoorden. Het is geen tijd voor grote woorden. Wanneer de Ned. Herv. Kerk zal blijven, dan zal dat zijn als kerk en niet als genootschap. Daarin ligt allerlei opgesloten. Ze zal zich haar catholiek karakter moeten herinneren. Stockholm, Lausanne en Lambeth wezen daarop en kerkopbouw wenst die les ter harte te nemen. - Op de oecumenische beweging valt echter een diepe schaduw door wat in Duitsland gebeurt. De kloof tusschen Lutherdom en Calvinisme dreigt zich te verbreden. En dit heeft plaats onder nationale invloeden. Wij moeten daartegenover de kerkelijk-imperiale gedachte, de ideeën van Augustinus, het koningschap van Christus naar voren brengen. Wanneer dat niet gebeurt, keert Europa terug naar het begin van z’n geschiedenis, dat er een was van revolutie en tyrannen. De vader der geschiedenis, Herodotus, vertelt daar van in z’n eerste Boeken. Dan ligt beurtelings een der beginselen van de samenleving, de vrijheid òf de orde, tegen de grond. De politiek zonder kerk loopt vast. Wanneer er geen kerkvolk is, zal er geen volk meer zijn. De kerk, niet het ras vormt de natie. Zij houdt het ras in toom en veredelt het. Zij geeft de ware eugenese. Dat kunnen de Duitsers van de Joden leeren. De strijd tussen Gregorius VII en Hendrik IV moet op hoger plan nog eens over gedaan worden. De algemene kerk zal ons moeten redden van de nationale razernij. De les die Augustinus tijdens de volksverhuizing aan Europa gegeven heeft, zullen we weer ter harte moeten nemen. Dat is de hoofdgedachte van Kerkopbouw. Deze gedachte brengt ook een toepassing mee voor ons Nederlands kerkrecht. Dan luidt het weer: geen genootschap maar een kerk. Een zelfstandige gemeentelijke inrichting van het volksleven, met erkenning van een politieke orde daarnaast. De gereformeerde kerk bedoelt diep in ’t leven in te grijpen. Ze wil geen theocratie, maar toch wel gedempte theocratie: Christusregering. Ze laat de staatkundige orde bestaan, maar holt inwendig het heidendom van de Staat uit. Zij gaat niet uit van een volk, maar zoekt er een te scheppen. Haar scheppingsorde is geloofsorde. In de Handboeken onzer vaderlandse kerkgeschiedenis gaat het almaar over secten en geschillen. Dat is bijzaak. Het zijn de spaanders, die er afvliegen bij het grote werk, dat de gereformeerde kerk volbracht, toen zij ons volk vormde. Op dat laatste moet de nadruk vallen. De kerk is daarbij wel door de overheid gehandicapt. Ze kwam boven provincialisme nauwelijks uit. Misschien hebben we daarin Gods wijs bestel te eren en werd het dopers gevaar daardoor verminderd. Willem I gaf de kerk haar éénheid, maar tevens de genootschappelijken vorm. Het voordeel was, dat ze een honderdjarige les in ordelijk samenleven kreeg. In ieder geval baat napleiten niet meer. Maar de nadelen van den genootschappelijken vorm worden hoe langer hoe duidelijker. Zoo kan het niet nog eens honderd jaar. De mensen beginnen te denken, dat de geboorte en niet wedergeboorte het beginsel der kerk is. En het resultaat is tegenovergesteld aan wat men er van verwacht. Het aantal belijdenissen loopt tegen de geboorten in. Een uitgerekte verbondsleer komt bij het ras terecht. De kerk rust op predestinatie Gods. Haar weg loopt niet evenwijdig met de politieke lijn, maar snijdt die verticaal. Ook op dit punt moeten we weer kerkelijk leren denken. We moeten van het genootschap naar de kerk terug. Dat is de tweede gedachte van ‘Kerkopbouw’ en de hoofdgedachte van ‘Kerkherstel’. De politieke gedachte van gewetensvrijheid werd overgebracht op de kerk en bracht hier verwarring. Gewetensvrijheid werd dan verder gelijk gesteld met physieke aanwezigheid, wat de verwarring nog vermeerderde. Tegenover de gescheiden burgerkerken is ons voordeel dat wij de volle spanning tussen Evangelie en volk nog bewaard hebben. Maar men kan dat beginsel niet blijvend pro memorie uitrekken. Het dreigt ons onder de handen weg te raken. ‘Volkskerk’ wordt binnen afzienbaren tijd een term zonder waarheid. Er is haast bij een reorganisatie der kerk. Kerkopbouw wil zich daarnaar gedragen en bereidt een ontwerp van een andere kerkinrichting voor. We hebben broodnodig een echte kerk. Met de staat alleen loopt men vast. Natuurlijk brengt dit bezinning op allerlei vragen naar het wezen der kerk mee. De kerkelijke orde, de kerkorde, is een andere dan de politieke. De kerkelijke tucht is een andere dan het strafrecht in de Staat. - Maar men kan niet kerkelijk leren denken zonder er mee te rekenen, dat orde en tucht ook tot het wezen der kerk behoren. Kerkopbouw wil zich aan de roeping om aan de oplossing van deze problemen mee te werken, niet onttrekken. Wij hebben daarbij ter school te gaan bij het gereformeerd protestantisme, waarschijnlijk ook bij de Anglicanen. Tegenover de herleving van de Lutherse opvatting, waarbij de Staat zijn eigen demonisch karakter mag uitleven, moeten wij teruggrijpen naar de oorspronkelijke beginselen van het Calvinisme, dat een getemperde theocratie voorstond. En achter Calvijn moet voor ons de figuur van Augustinus weer oprijzen. Alles wat het demonische in de Staat kan helpen bestrijden, van Rome af tot de Kwakers toe is voorloopig onze bondgenoot.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 425. R. Houwink aan O. Noordmans7. Laren427. A.M. Brouwer aan O. Noordmans →