445. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Zaterdag, 28 october 1933
Zeer vereerde Noordmans,
Het wordt tijd, dat we ten opzichte van de waarlijk imbeciele discussie in het Algemeen Weekblad over nationaal-socialisme en Kerk1 ons eens 1uidelijk uitspreken, desnoods enkel in een ‘ingezonden’. Het nationaal-socialisme moge een noodzakelijk kwaad zijn, een middel om de ‘opstand der horden’ (Ortega y Gasset)2 op te vangen in meer Lebens-nahe, minder abstracte vormen dan het communisme. Het is een huichelarij het socialisme en de demokratie aansprakelijk te stellen voor het verval der ‘cultuur’ - het is een listigheid van het laagste allooi, de volkseenheid boven de niet gepredikte, maar faktisch van boven gevoerde klassenstrijd uit te spelen, alsof het socialisme niet een gelijke doelstelling met haat heeft beloond gezien, omdat het meende wat het zei en niet in het reactionaire was om te duiden. Maar het voornaamste is voor mij, dat deze heren, ook de laatste schrijver in het jongste nummer, niet het minste benul heeft van wat de kerk is, als hij meent in zijn royaliteit! dat de kerk wel erg in haar sas zal zijn, dat ze mede dienstbaar zal zijn aan het streven naar hoge, geestelijke goederen! Ach, maakt u het de goedwillenden eens duidelijk! Ik ben te geprikkeld en te jong, ik schrijf trouwens nooit in het Algemeen Weekblad, u bent daar een bekende, naar wie men gaarne en met vertrouwen luistert. Ik bid u, stel het niet uit, zet de puntjes eens op de i; wat ik zo hoor verluiden van hetgeen ook onder collega’s leeft, wat zelfs broeder Boissevain3 er uitbraakt aan antisemitismen, wat vriend Van Duyl4 voor getuigenis geeft en voor invectieven slingert tegen de restanten van wat men dan misschien inderdaad nog ‘cultuur’ zou kunnen noemen, hoe velen de schare beëvangeliseren door haar in het gevlei te komen in hun desperado-instincten - dat alles zegt mij: hier is de vijand; wat is het tegenwoordig modernisme van Roessingh,5 Lindeboom,6 Aris,7 vergeleken bij het gevaar van de kerk schofferende, leerloze en eerloze voorgangers en volgelingen? Och, vergeef me m’n jeugd en dat ik in m’n jeugd al zo moe ben / zo moe, dat ik tot u de toevlucht neem en vraag: zeg gij het, zeg het beter, bezonkener, indringender, dan ik het ooit zou kunnen. Geef leiding, gij, die een geboren leider zijt - en stel niet uit! Met hartelijke groet, uw dw.
K.H. Miskotte.
(AN)