Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A · 7. Laren

Weergave

448. O. Noordmans aan P.H.Th. Stevens1

Laren (G.), 23 november 1933

Zeer geachte Heer,

Tot mijn spijt kan ik u geen manuscript toezenden; ik heb de lezing2 niet uitgeschreven. Hierbij zend ik een uitvoerig verslag, dat u misschien uit de bladen reeds kent. Het is een excerpt dat ik zelf maakte en dat dus vertrouwbaar is. Misschien kunt u het vergelijken met uw eigen aantekeningen. Hoogachtend, uw dw.

O. Noordmans.

(AKO)

Noten

  1. 1

    Zie brief nr. 397 (31.3.1931), n. 1.↩

  2. 2

    Op 14.11.1933 vond de algemene ledenvergadering van KO plaats, die tweemaal eerder was uitgesteld i.v.m. pogingen om met KH tot overeenstemming te komen. Op deze vergadering werd het Ontwerp KO besproken. ON hield een lezing. Dagboek Brouwer: ‘Noordmans spreekt over de beginselen v/h Ontwerp geestig maar zwaar.’ In zijn dagboek bewaarde Brouwer een verslag uit het UD dat blijkens deze brief van de eigen hand van ON is. (Referaat ds. Noordmans): ‘De reorganisatie-beweging is bijna zo oud als de inrichting van 1816 zelf. Maar de eerste 50 jaar ging de actie regelrecht om de confessie, wat tot de afscheidingen van 1834 en 1886 leidde. De laatste halve eeuw is ze op de kerkorde gericht en pas daarachter op de belijdenis. Hoedemaker heeft deze wissel omgeworpen. Hij wilde eerst de mogelijkheid van een kerkelijk oordeel geschapen zien. De zorg voor de inhoud der prediking was aan de kerk ontnomen en aan de school toevertrouwd. Melanchthon had Calvijn terzijde geschoven. Deze wijziging in de beweging na 1886 is van grote betekenis. Want nu moest de kerkorde critisch bekeken worden. Kuyper had haar zonder critiek overgenomen, wat tot regressie leidde, daar de catholieke idee zich in independentisme oploste. Hoedemaker is meer critisch. Hij stelt de kerkvorm onder ’t oordeel, niet de feitelijke toestanden in de kerk. Dit komt echter bij Gunning pas duidelijk uit. Voor hem wordt in de kerkorde de critiek van het Evangelie op de wereld openbaar. Om dit critisch karakter der reorganisatie kan een al te partiële herziening geen waarde hebben. Met Kerkherstel staan wij in de tweede periode der beweging, maar deze vereniging blijft te veel bij Hoedemaker staan. Kerkopbouw ziet kerkorde meer met Gunning als het snijvlak van Evangelie en wereldnood.’ Spreker laat dan de voorstellen van het ontwerp vluchtig de revue passeren. Hij vraagt of dat ‘capituleren voor de zondige werkelijkheid’ is. Neen, zegt spr., het is ‘capituleren voor het Evangelie.’ Overeenstemming met Kerkherstel acht spr. niet uitgesloten, omdat beide verenigingen het critische standpunt van Gunning principieel aanvaarden. De nood dringt tot reorganisatie. Dat de kerkvorm grote betekenis heeft, ziet men aan Duitsland. De druk, die de nationale spanningen op het geloofsleven uitoefenen, hangt mede af van de toestand der kerkmuren. De kerk mag geen stad zonder muren zijn. ‘Wij zijn nog geen engelen,’ zegt Calvijn. Luther veracht te veel het canonieke recht en eert het romeinse recht der overheid te hoog. De Lutherse kerk ondervindt daarvan thans de gevolgen. Melanchthon heeft wel aanvullingen gegeven, maar meer in de richting van de school dan die van de kerk. Hij schiep de Duitse ambtenaar. Dit is in de Lutherse kerk de naaste materialisatie van de christen. De beste christen, de beste burger. Men grijpt daarop thans in Duitsland terug. Calvijn heeft Luthers kerkbegrip naar een andere zijde uitgebouwd. Hij kent ook een materialisatie van de christen binnen de kerk. Hij waagt het, een gemeentevorm uit te werken. Hij zet de prediking des Woords niet zo naakt ‘onder de Turken’ als Luther dat wil. De gelovigen moeten gevoed, ze moeten elkaar dienen. Calvijn leidt de gemeentevorm niet regelrecht uit de gemeenschap der heiligen af. Dat is dopers. De gemeenschap loopt over Woord en geloof en zo blijft kortsluiterij gemeden. Met Luther houdt hij zich aan Woord en Sacrament. Maar door onderwijstucht, liefdadigheid wordt een gemeentevorm geschapen, die van grote betekenis is geworden. De gemeente bedoelt niet in de eerste plaats een aardse levensvorm te zijn. Ze is handwijzer naar het Evangelie en een gestadige critiek op de staat. Ze demonstreert door haar soberheid in eredienst en leven de mogelijkheid van een stad Gods. Deze critische functie mag de kerk niet verliezen. Kuyper heeft dit te veel over ’t hoofd gezien. Maar als ze zulk een heenwijzing naar het Evangelie en een critische instantie voor de Staat geworden is, wordt haar een aardse bestaansmogelijkheid voor de gelovigen in de schoot geworpen. De kerk moet een levensstelling tussen staat en eeuwigheid innemen. De stuipen, die de eeuwigheid in onze dagen vertoont, hangen samen met het verzuim van deze roeping door de kerk. Wanneer de kerk geen ascese meer kent gaan we terug naar de Caesaren waanzin. De kennis omtrent deze betekenis der gemeente kan gevaarlijk zijn. De verwijten aan Calvijn en de Puriteinen zijn overdreven, maar niet geheel uit de duim gezogen. Maar een gemeente die niet meer demonstreert, is geen kerk. Zij wijst naar het Evangelie; haar bestaan is een critiek op de staat. Een levensmogelijkheid wordt dan haar deel als toegift, niet als doel. Die levensmogelijkheid is gekenmerkt door soberheid. De dogmatiek is hard; de moraal streng. Maar het leven op zich zelf, zonder kerk, is niet mogelijk. Het betekent ondergang. Aards leven is een projectie van eeuwig leven, met verkorte verhoudingen. Dat is de betekenis van de gemeente als levensvorm. Dat is geen ‘optimistische geschiedbeschouwing’, welke Prof. Haitjema ons verweet. ’t Is een theologische geschiedbeschouwing, die de nood der tijden ons klaarder doet inzien. Een critische behandeling der kerkorde is een tijdvraag van de eerste rang.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 447. O. Noordmans aan A.M. Brouwer7. Laren449. J.H.C. Kamsteeg aan O. Noordmans →