449. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel, 4 december 1933
Beste Noordmans!
'n Prachtig zonnetje. Maar koud! En 'n wind die door alles heen snijdt. Dus blijf ik thuis2 en heb nu ongedacht even gelegenheid om je vriendelijk te danken voor de toezending van 't Eltheto nummer, waarin je over Miskotte3 schrijft. Met aandacht heb ik gelezen wat je schreef, dat doe ik trouwens met alles wat met O.N. ondertekend is. ‘Na lezing en herlezing van dit merkwaardige boek.’ En ik kijk het geweldige boek dat voor me staat er eens op aan. Lieve deugd, wat steigert m’n eerbied voor je toch hoog op. ’k Heb er ook al vaak in zitten lezen, maar tot geregeld achter elkaar, bladzij na bladzij tot het einde toe, kwam ik nog steeds niet. ’k Peins deze dagen nogal eens over jeugddienst, jeugdprediking, jeugdbeschouwing, enz. Het wil maar niet uit me weg, dat de jeugdmensen, ik bedoel die sprekers voor de jeugd, en ik kijk ook speciaal naar Wichmond,4 zich wat blind hebben gestaard op de jongens uit de kampen van de NCSV. Naar de jongens met sjieke bretels en fijne shirts en echt leren koffers. Naar de jongens, die op hun 16de al weten van cocktail en bar-dames en van veel meer nog in die duistere richting. Maar is dat de jeugd? Ik heb zo te doen met die honderdmaal grotere groep, die met al dat spreken tot ‘de jeugd’ toch eigenlijk niet worden geraakt. De jeugd is niet uitsluitend, zelfs niet voornamelijk, NCSV. Het vergeten van deze eenvoudige waarheid is wel heel jammer. Voelt ge iets mee van wat ik bedoel? Of heb ik het wanhopig mis? Ik luister graag naar het terechtbrengende woord van de Moderator uit Laren. Met vriendelijke groet van huis tot huis, graag tt
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)