462. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
’s Heer Hendrikskinderen, 9 juli 1934
Hooggeachte ds. Noordmans,
Hierbij neem ik de vrijheid een beroep te doen op uw hulpvaardigheid in theologisch opzicht. De zaak is deze, dat ik in de vorige maand voor de Utrechtse faculteit doctoraalexamen heb afgelegd (hoofdvak dogmageschiedenis, bijvakken Nieuw Testament en dogmatiek bij prof. Van Rhijn),2 en nu eigenlijk graag eens met u zou willen praten over een plan voor een proefschrift. Ik zei dit tegen dr. M.C. Slotemaker de Bruïne,3 die meende, dat u hiertoe stellig bereid zoudt zijn. Vandaar mijn verzoek. Dat ik hierbij juist van u gaarne enige aanwijzingen zou willen ontvangen, moge ik toelichten met de mededeling, dat wat er aan theologische besef in mij leeft, grotendeels door uw werk is gewekt. Daarin is geen heldenverering, maar het wil eenvoudigweg even een feit constateren. Vanuit deze dankbaarheid leek het me voor mijn werk uitermate vruchtbaar, wanneer ik eens over verschillende dingen met u zou mogen komen praten. Oorspronkelijk lag het in mijn bedoeling, de tweede generatie van de ethische theologen te bespreken. Maar mij is ter ore gekomen, dat collega Van de Burgt uit Sellingen4 onder leiding van prof. Aalders5 aan een verwant onderwerp bezig is; en na enige correspondentie met prof. Aalders en collega Van de Burgt is mij gebleken, dat het beter is, wanneer ik maar geheel uit Van de Burgt’s vaarwater blijf. Wel is zijn probleemstelling meer godsdienstwijsgerig (hij werkt over Geloof en geschiedenis bij de ethische theologen, en bedoelt met dit laatste de oudere en de jongere generatie), terwijl ik een paragraaf uit de vaderlandse kerkgeschiedenis had willen behandelen - maar ik geloof, dat H. Barth6 gelijk heeft met z’n opmerking, dat we aan dergelijke titelkwesties niet teveel aandacht moeten besteden. Een wezenlijke vraag raakt meer dan één vak tegelijk. Er is echter een andere kwestie, die al enige tijd mijn aandacht heeft; namelijk de vraag naar het gezag der kerk. Na het tentamen bij prof. Cramer7 in februari kwamen nog verschillende dingen ter sprake, waaronder ook dit, naar aanleiding van Melanchthon. Zodat ik toen een scriptie mocht maken over Luther en Melanchthon over het gezag der kerk. ’k Heb dat toen nader gepreciseerd op het jaar 1539, en de geschriften Von den Conciliis und Kirchen8 en De ecclesia et de autoritate verbi Dei9 met elkander vergeleken. - Deze vraag is al een oude liefde. Toch zou ik, nu dan een dissertatie-onderwerp in deze richting gezocht wordt, er bij voorkeur geen ‘systematische’ beschouwing over willen geven, maar de kwestie op een bepaald historisch punt willen signaleren. Dan ligt nu het meest voor de hand een uitwerken van de scriptie. Ik zou er dan ook Calvijn in willen betrekken, en het onderwerp dus formuleren als De Reformatoren over het gezag der kerk. Het is mij niet verborgen, dat deze titel iets misleidends hebben kan. Prof. Cramer merkte trouwens op het examen terecht op, dat eigenlijk het opschrift boven de scriptie al niet deugde. Maar ik houd er voorlopig maar aan vast bij gebrek aan wat beters. Dat ‘gezag’ in elk der drie gevallen wat anders betekent, moet dan in de loop der verhandeling maar blijken. Wanneer u inderdaad zo vriendelijk zoudt willen zijn en gelegenheid zoudt kunnen vinden, mij eens voor een gesprek over deze dingen te ontvangen, dan zou ik u twee dingen willen vragen. Allereerst, zondag 26 augustus ben ik vrij, d.w.z. dan preek ik niet thuis, en ga ik in aansluiting daaraan naar de Practische Theologische Conferentie op Woudschoten. Zoudt u mij, afgezien van de kans dat u ook op Woudschoten is, in welk geval de zaak al heel eenvoudig zou zijn, - kunnen ontvangen hetzij in de week voor 26 augustus, of in de week daarna, na afloop van de conferentie? Ik zou dan aan mijn voorganger in deze gemeente, collega Kamsteeg van Gorssel,10 wel kunnen vragen of hij me een nacht kan logeren. En ten tweede: ik heb van de scriptie, die ik indertijd voor de hoogleraren heb laten typen en doorslaan, nog een afdruk over. Zou ik die, ingeval u me wilt en kunt ontvangen, mogen toezenden? We hadden dan een leidraad in de hand bij de bespreking. Bij voorbaat dank ik u zeer voor uw antwoord en hulp. Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn uw dw.
Jan Koopmans.
(AN)