471. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
’s Heer Hendrikskinderen, 19 oktober 1934
Hooggeachte ds. Noordmans,
Bij mijn thuiskomst uit ‘Holland’, waar ik met prof. van Rhijn2 de plannen heb besproken voor de dissertatie en voorts enkele dagen in de bibliotheek heb gewerkt, vond ik uw overdenking.3 Voor de toezending daarvan dank ik u zeer; ik hoop haar binnen niet al te lange tijd te beantwoorden, door u een preek4 te sturen, die ik in de serie van Berkelbach5 en Smelik6 schrijf. Veel dank ook voor de opmerkingen en critische aantekeningen bij mijn scriptie. Ook prof. van Rhijn acht mijn plan te breed voor een proefschrift. Zijn raad is: ga naar Calvijn. Luther’s en Melanchthon’s kerkbegrip is min of meer een uitgetreden paadje, al zou ’t mij dan gaan om een speciale noot ervan. Over Calvijn is nog weinig gewerkt - en de Duitsers hebben in ’t algemeen niet ’t rechte begrip van hem. - Nu is ’t mij niet te doen om de destillatie van een ‘kerkbegrip’ uit een verzameling van citaten, maar om de kerk in actie. En dan vind ik ’t wel erg jammer, om of Wittenberg of Genève te laten schieten: ze tekenen zich zo mooi tegen elkaar af. Maar ondanks de moeilijkheid, die u bij Calvijn aanwijst, heb ik toch maar besloten voornamelijk hem te bewerken, en dan rekening te houden met uw opmerking, dat Calvijn in het Calvinisme gestudeerd moet worden - althans voorzover dat binnen ’t bestek van een proefschrift mogelijk is. Slotemaker7 gaf me de raad eens aan Brunner8 te schrijven om literatuur over de Reformatie in Zwitserland; zelf heb ik gedacht aan Peter Barth.9 Slotemaker gaf me ook nog een opdrachtje mee, waaraan ik momenteel kluif; nl. enige kanttekeningen op De openbaring der verborgenheid10 te maken, die dan maandag op de bijeenkomst van de schrijvers11 zouden moeten worden opgediend. De tijd is wat kort; ik kan niet meer doen dan zo ’t een en ander opwerpen. Om nog eens op de dissertatie terug te komen: helemaal laat ik toch de Duitsers niet schieten. Al worden ze dan niet tot afzonderlijke paragrafen vermalen, als ‘vergelijkings-materiaal’ kan ik ze niet gans en al prijsgeven. Ik denk bijvoorbeeld aan visitatie naast tucht. Met wat u schreef over ‘de zaak’ (tegenover de doctrina) had ik eerst enige moeite; maar ik geloof wel dat ik nu het gevaar heb gevat, waarop u doelt: er mag niet worden getast naar ‘iets’ achter het Woord. Summa: ik dank u hartelijk, voor de moeite die u zich hebt willen geven, en voor uw bereidheid ook voortaan nog tot ‘gedachtenwisseling’ bereid te zijn. Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting uw dw.
J. Koopmans.
(AN)