480. J.H.C.Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel (G.), 19 december 1934
Beste Noordmans,
Zaterdagavond. Zo dadelijk ga ik naar m’n wekelijkse bidstond. Toch wil ik je eerst nog even schrijven. 1. Onkosten? geen. Willen we afspreken dat dit een ruilbeurt is? Als ik eens aanbel om hulp bij de pastor van Laren, dan komt hij, zo mogelijk, immers ook. Goed? 2. Mijn blijdschap uitspreken, ja, dat moet ik even, over het feit dat je genoemd staat in het drietal voor Utrechts professoraat. O, ik weet heel goed, dat het nog maar een drietal is, weet heel goed dat er veel klein geknoei is bij zogenaamde grote mannen, toch ben ik er blij om. Ik zou mijn grote vriend Noordmans die Utrechtse katheder zo heel graag zien beklimmen, hoezeer het me spijten zou, als we je hier zouden moeten missen. 3. ’k Ben dankbaar als m’n preek er niet helemaal naast is geweest. Ja. koud had ik het, zowel in ’t begin en zo onder ’t zingen. ’k Zat er ook maar in m’n dunne jasje, zorgeloos. Gelukkig geen last van gehad, naderhand. Met vriendelijke groet van huis tot huis, tt.
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)