479. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
’s Heer Hendrikskinderen, 18 december 1934
Hooggeachte ds. Noordmans,
U zult het mij, hoop ik, vergeven, dat ik u in deze pastoraal-drukke tijd van de jaarwisseling in kerkelijk en burgerlijk opzicht kom lastig vallen met een vraag, waarop ik bovendien graag binnen niet al te lange tijd antwoord zou willen hebben! De zaak is deze, dat dr. Slotemaker2 me heeft gevraagd, mijn brief aan de auteurs van De Openbaring der Verborgenheid om te werken tot een bespreking voor Eltheto.3 Daarna ben ik, ook door bemiddeling van dr. Slotemaker, in correspondentie gekomen met dr. Miskotte over de opmerkingen, die zijn opmerkingen over de theologische exegese mij hadden ontlokt. Onvermijdelijk kwamen we al heel spoedig te spreken over uw critiek op de dialectische opvatting van het ‘Woord’, door dr. Miskotte genoemd ‘de nieuwe continuiteitsleer’ en als zodanig niet aanvaard;4 door mij verstaan als de ontwikkelingsmogelijkheid in de richting van een theologie des Woords, zoals die ook in Herschepping wordt aangewezen.5 Evenals ik dus met dr. Miskotte ‘gespiekt’ heb, zou ik dat graag met u willen doen - ’k beschouw mezelf te zeer als een leerling, om op eigen gelegenheid de decisie te durven treffen. En nu zou ik wel wachten tot 12 en 13 januari,6 wanneer u waarschijnlijk ook wel op Woudschoten bent; maar dr. Slotemaker wou mijn artikel 7 januari hebben om ’t in ’t februari-nummer van Eltheto op te nemen. Tegen dr. Miskotte’s opstel heb ik twee bezwaren, waarop ik graag uw ‘imprimatur’7 zou ontvangen; of anders: het tonen van mijn feilen. 1. Het eerste bezwaar geldt dr. Miskotte’s opvatting van de taak der fenomenologie. Het komt mij voor, dat hij deze teveel losmaakt van de historie, wanneer hij wil, dat zij ‘het onderscheid der historische situatie van toen en nu’ zal ‘opheffen.’8 Ik voerde hiertegen aan, dat er zo een teveel aan ‘zin’ tussen de Schrift en ons komt te staan. Dr. Miskotte onderschat dit gevaar echter allerminst; en bovendien: hij werpt historisch-literaire en fenomenologische exegese tenslotte op een hoop tegen over de theologische. De taak, die Slotemaker haar aanwijst en die ze bij u in de practijk vervult, is m.i. een andere: ze dient dan het historisch verstaan. Het begrip der ‘historie’ moet dan echter ruimer genomen worden dan door dr. Miskotte gebeurt, die alleen op de technisch-‘wetenschappelijke’ kant let. Dat brengt mee, dat we met het begrip der historie al midden in de eigenlijk-gezegd theologische problemen zitten (zodat ik dr. Miskotte niet toestemmen kan, dat mijn zienswijze ‘romantisch’ zou zijn). Bij dr. Miskotte houden de historisch-literaire en de fenomenologische exegese halt voor, of liever ze stuiten af op de theologische inhoud, het ‘kerugmatisch gehalte’ der Schrift. Dit is typisch voor de Zwitserse theologie: het is om zo te zeggen negatief-apologetisch. - Als ik het goed zie, hebt u deze werkwijze verlaten. Het nominalisme der dialectici prijsgevend, vervalt u toch niet in een realistisch speculeren over de zin van de geschiedenis (eerder ligt bij u de geschiedenis bijna stil: eten, drinken, trouwen, sterven). Maar de historie der civitas Dei ‘in hoc temporum cursu, cum inter impios peregrinatur ex fide vivens,’9 zonder technisch-wetenschappelijk aanwijsbaar of fenomenologisch hanteerbaar te zijn, is (om het voorlopig aldus te formuleren) juist duidelijk genoeg om theologisch van beslissende betekenis te zijn. De bijbelse theologie behoeft dan ook niet, zoals feitelijk bij dr. Miskotte, buiten de theologie te vallen. 2. Zo is stilletjes aan mijn bezwaar tegen dr. Miskotte’s fenomenologie groter en groter geworden - zodat ik al midden in het tweede bezwaar ben aangeland. Hier liep de discussie over ‘de nieuwe continuïteitsleer’, om deze term even vast te houden. De samenhang met het bovenstaande ligt aan de dag. Dr. Miskotte schreef me, dat u ter vergadering10 o.a. had geargumenteerd met het ‘nationaal-gereformeerde’ karakter van onze theologie. Ik moet hem toegeven, dat ik dit als argument ook niet begrijp. Reeds in mijn brief aan de vergadering merkte ik op, dat men uw critiek op Barth een nationale zou kunnen noemen, en het dan gedeeltelijk bij het rechte eind hebben zou. Maar dat is toch meer een aanduiding dan een argument; en zelfs de aanduiding is maar gedeeltelijk juist. Immers, zonder de calvinistische critiek op Augustinus te verwaarlozen, bent u toch met de ‘continuïteitsleer’ meer in de lijn van Augustinus gebleven of gekomen dan van de nationale theologie. - De aanduiding ‘gereformeerd’ (zonder ‘nationaal’) acht ik juister; en deze kan, juist na uw stuk in de bewuste bundel, ook veel meer als argument gelden. Van een ‘terugval’ spreekt dr. Miskotte in verband met wat u zegt over ‘de troost der volharding.’11 Hij vindt dat te pragmatisch, gelijk hij, zoals u zich zult herinneren, ook ter vergadering heeft gezegd. Ik heb daartegen opgemerkt, dat de maior van de sluitrede bij u niet is: ‘Deze arme mensen hebben troost nodig’, maar: ‘De Heilige Geest is de Trooster.’12 Dus mag hier van pragmatisme niet gesproken worden. Acht u deze weerlegging van dr. Miskotte’s critiek juist? - De tegenstelling nominalisme-realisme ter karakterisering der verschillende opstellen heb ik laten varen, gelijk trouwens ook al in mijn brief aan de vergadering. Men kan wel spreken van het nominalisme van de meesten; maar niet, gelijk boven opgemerkt, van uw realisme: dit wijst op wat Calvijn tot Augustinus te zeggen heeft. In de bespreking volg ik niet de orde van de opstellen in de bundel, die naar de theologische vakverdeling is genomen, maar een lijn, die ‘ontwikkeling en toekomst’ der Zwitserse theologie tracht aan te geven: Tromp13 - Loen14 - Haitjema - Buskes15 - Stam16 (die van de lijn dreigt af te vallen) - Eijkman17 - Berkelbach18 - Visser ’t Hooft19 - Miskotte - Noordmans - Slotemaker20 (als methodische samenvatting, hoewel hij, wat overigens uit zijn stuk niet blijkt, wat de ‘continuïteitsleer’ betreft meer aan Miskotte’s kant staat dan aan de uwe, naar hij me schreef). Deze ‘ruggespraak’ met dr. Slotemaker, toen met dr. Miskotte, en nu met u, heeft niet alleen de bedoeling, dat ik graag ‘gedekt’ wil zijn als mijn bespreking gedrukt wordt. Het gaat er mij vooral om, de zaak zo zuiver mogelijk te stellen. Ik zal u daarom ten zeerste dankbaar zijn, wanneer u gelegenheid kunt vinden, al is ’t maar met een enkel woord, te schrijven of ik er niet al te zeer naast ben. Aan dr. Slotemaker schreef ik, dat m.i. tussen u en hem in het geding is de uitlegging van de reformatorische uitspraak: ‘promissio et fides sunt correlativa.’21 Met grote vreugde heb ik gezien, dat u voorkomt op het drietal voor Utrecht. Ik wens niets liever, dan dat u wordt benoemd; en als dit het geval wordt, betreur ik niets zozeer, als dat ik geen student meer ben. U houdt me deze vrijpostige openhartigheid wel ten goede. Ontvangt u mijn beleefde groeten. Bij voorbaat dank ik u zeer voor uw antwoord. Met de meeste hoogachting, uw dw.
J. Koopmans.
(AN)