178. J. de Visser1 aan O. Noordmans
Maandagmorgen, (waarschijnlijk april 1904)
Amice!
Zo juist heb ik naar A[mster]dam geschreven, of ’t goed was dat ge vrijdag a.s. tussen 9 en ⚑_10 even aankwam op de Keizersgracht 452(?). Mocht ’t zijn dat hij2 je niet ontvangen kan, of hij dan even bericht wilde sturen aan ’t adres van ds. E[ringa].3 en anders in eens de aanbeveling. Ik heb de zaak nog even onderstreept en aangedikt en hoop nu dat ’t zaakje goed marcheren zal. Er zijn anders zoveel dingen, dat hij wel eens huiverig wordt om meer zijn naam onder iets te zetten. Hij kwam eens bij een heer, die hem begroette met de opmerking dan is de 4de maal dat ik u vanmorgen zie. Driemaal uw naam op een boekje of lijst en nu zelf. Dat wordt vervelend. Maar nous verrons.4 Ik kom niet in Utrecht.5 M’n vader sukkelt de ganse winter, is voor 14 dagen geopereerd ... zwak en nu zal juist mijn zuster, die hem een hele tijd niet zag, met haar kinderen bij hem zijn. Dat wordt dan te druk. ’t Spijt me wel. Kom je niet eens naar ’t zuiden.6 We zijn verhuisd en wonen nu prachtig, mooi uitzicht, geriefelijk wat ’t innerlijk betreft, en nog steeds op ons gemak wat de gemeente betreft. Groet de kennissen tt.
J. de Visser.
(AN)