182. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 18 december 1904
Geliefde Oepke,
Toch eens een brief van Oepke1 - zie dit is voor ons reeds verblijdend, al zijn onze kinderen niet meer in huis, het zijn en blijven desniettemin onze kinderen, van wie wij zo gaarne zo nu en dan iets vernemen en dat temeer als wij ze zo weinig komen te zien, en al behelst nu uw brief niet veel bijzonders, toch is het veel wat er in staat aangaande uw gezondheid en welvaren, zie, dan is het
’t oog omhoog, het hart naar boven,
enz.2
Wormser, de Kinderdoop, is mij door Jac. Eringa3 ontleend en niet weer terug gezonden. Wel had hij het aan iemand ter verzorging gegeven maar zoals dat menigmaal gaat, het blijft weg. Ik heb het niet. D.V. zend ik aan uw adres een paar kleine boekjes van mijn hand,4 gij kunt er een aan Smit5 geven en hebt er dan nog eens een over. D.V. zullen wij u met mijn verjaardag verwachten. Betje zou na verloop van een week na haar vertrek schrijven, en nu zijn er vier verlopen en nog geen enkel bericht uit Lunteren. Wij begrijpen er niets van. Bij Jakob en Pier is het volgens laatste berichten goed, Jakob moet zich echter nogal voor veel wachten en is nogal zenuwachtig. Bij ons aan huis is het aardig goed. Ik kom zoals gij vermoedt weinig buiten, dat bevalt mij het best, hoewel ik hierdoor ook gevoeliger word. Moe is best gezond, bij Van der Meer en Baaije blijven de oude toestanden op één hoogte. De gezondheid is er goed. Baaije is l.l. een week bij ons geweest en was toen zeer opgewekt, overhelder. Zoals men wel eens zegt, als het gestel dat meest terneerdrukt aan de andere zijde overslaat. Bij ons ook al niets bijzonders dan alleen Sjoltje gaat D.V. aanstaande mei trouwen. Hartelijk gegroet, uw u liefhebbende vader en moeder,
D.P. Noordmans en G.O. de Roos.
(AN)