183. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 4 februari 1905
Lieve Oepke,
Heden zijn twee volle jaren verlopen sedert gij uw intredepreek1 te Idsegahuizum hebt uitgesproken. Gelukkig hebt gij deze beide jaren ongestoord in gezondheid het werk der Evangelieverkondiging in uw eerste gemeente mogen voortzetten. Wij feliciteren u hiermee van harte en dat te meer omdat er zoveel is vooraf gegaan, hetwelk na veel zorg voor ons en uzelf ten goede is gekeerd. Voorwaar de Here heeft het boven verwachting wel gemaakt, zijn Naam zij geloofd. Wel blijft uw mond en hart gesloten voor vader en moeder, over een en ander, ja over veel misschien, waaromtrent er bij ons wel eens een begeerte opkomt om iets meer vertrouwelijk met onze zoon Oepke te mogen spreken, doch misschien is het goed zo, althans er is zoveel geschied waarover tranen van blijdschap kunnen en moeten geschreid worden, dat wij u met alle vrijmoedigheid kunnen opdragen aan onze Verbondsgod. Hij zal het verder wel met u maken. Een geloof op hoop tegen hoop en een worsteling die wordt gevoerd met een vasthouden aan Gods verbondstrouw kan niet beschaamd worden, want wij kunnen dan met Mozes zeggen: Wat zult Gij dan met uw grote Naam doen?2 Nu, lieve Oepke, wij bevelen u aan de hoede en leiding aan van uw getrouwe God en Zaligmaker, Hij leide en stiere u van nu en voortaan op al uw wegen, zowel in uw eigen huiselijke en maatschappelijke behoeften en betrekkingen alsook in betrekking tot de bediening van het ambt des Evangeliums, met al den aankleve van wat daartoe behoort. Uw u liefhebbende vader en moeder. Bij ons is alles redelijk wel. Ik zelf gevoel mij veel beter dan omstreeks nieuwjaar. Bij de familie alles redelijk wel. Baaije kon beter, Anne weet gij, Trijntje komt D.V. over veertien dagen. Gaarne willen wij dat gij eens overkomt, kan dit niet, schrijf dan s.v.p. spoedig eens. Bedenk dat onze tijd voorts kort is. Vader D.P. Noordmans.
(AN)