Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Idsegahuizum en Piaam 1903-1910

Weergave
Passages naar Readwise sturen

190. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 31 januari 1906

Aan mijn geliefde zoon O. Noordmans te Idsegahuizum.

Lieve Oepke,

Voor enige weken vond ik in mijn lade een door mij in vroegere jaren geschreven preek, vermoedelijk is deze verhandeling door mij in de christelijke school te Oosterend in vroeger jaren voorgelezen, hetzij door mij zelf uitgewerkt of overgeschreven,1 hoe dit zij, bij de herlezing vond deze preek nu nog bij mij volkomen instemming. En dewijl ik nu uit De Banier van woensdag 31 januari2 verneem, dat er juist over ditzelfde onderwerp een referaat door u zal worden gehouden op de predikantenvergadering te Leeuwarden,3 zo vond ik mij opgewekt u deze preek als bewijs van belangstelling en toegenegenheid en liefde, ter lezing aan te bieden. Ontvang alzo dit klein bewijs van belangstelling en liefde uit de hand van uw u liefhebbende vader

D.P. Noordmans.

P.S. Het verblijdt mij zeer dat gij u over deze dingen in het openbaar gaat uitspreken. Wij horen vanuit Idsegahuizum noch vanuit Gaast thans iets. Gaat Betje ook haast uit Gaast vertrekken? Of heeft Van Dijk nog altijd geen meid? Hoe gaat het met uw gezondheid? Hoe met die van Van Dijk en kinderen? Kunnen wij u in de terugreis uit Leeuwarden verwachten? Of bij een andere gelegenheid? Schrijf s.v.p. eens een paar woorden terug. Moe en ik hebben beide griep gehad. Moe heeft het enige dagen in het hoofd gehad. Een dag nogal vrij erg, maar anders is zij er nogal licht afgekomen. Ik zit er zo met een en ander nog al een week of drie met, dat ik de kamer niet uit kom. De griep heeft mij nogal erg in de leden en gewrichten aangepakt en is natuurlijk mijn zwakke maag en ingewanden niet voorbijgegaan, maar toch schijnt nu een geregeld verloop te nemen, althans het gaat zachtkens aan vooruit (ziekte of koortsig heb ik niet gehad nu). Overigens gaat het in onze stille huishouding zo wat geregeld door. Zijt verders hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder

D.P. Noordmans en G.O. de Roos.

(AN)

Noten

  1. 1

    In Oosterend sprak DPN jaarlijks op de jaardag van de chr. school een rede uit en in Scharnegoutum leidde hij bij ontstentenis van ds. Enderlé wel begrafenissen.↩

  2. 2

    Niet in enige bibliotheek voorhanden.↩

  3. 3

    Op 12.2.1906 over Dogmatische zekerheid, lezing voor de Friese Predikantenvereniging; zie VW 1, 52-77. In de notulen (PAL) nam de secretaris en vriend van Noordmans, W.M. van der Schans, het volgende uitgebreide verslag op: ‘Spreker begint met op te merken dat wij dogmatische zekerheid noodig hebben. De prediking stelt ons voor den eisch op allerlei punten eene meening, neen eene overtuiging te hebben. Wel is er eene groote beslissing, die vele andere beslissingen bepaalt: “Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben!” Volmaakt wordt de dogmatische zekerheid slechts bij volmaking des levens. Dat is de waarheid in de socratische bewering dat het goede weten en het goede doen het wezen is. Dit is te veel vergeten. Men doet alsof de zonde wel den wil, niet het intellect heeft aangetast. Beide blijven ten deele en het eene in de mate van het andere. In de Grieksche Kerk is de scheiding gewettigd. Daar staan de formules buiten het leven. Er is daar slechts één dogma: “alle dogma’s zijn goddelijke.” Wat de Roomsche Kerk aangaat, daar staat het dogma boven de discussies, maar zonder invloed op het leven. Slechts één dogma dat direct de gewetens bindt: de onfeilbaarheid der Kerk. Rome laat groote speelruimte aan de theologen. Het staat toch buiten verband met het leven. Zoo was er ruimte voor Thomisten en Scotisten. Luther klaagde erover met betrekking tot Cajetanus en Calvijn in de Inleiding der Institutie. In onzen tijd is bij Roomschen soms vrije opvatting. Het Protestantisme heeft [moeite] met deze deeling des levens. De vraag naar de verhouding tusschen het intellectueele en moreele element in het geloof is hier aan de orde. De vragen zijn ingewikkelder dan men dacht. De waarheid is er heerlijker en grooter om. Zij is dan een diamant gelijk: hoe meer men hem beschouwt hoe meer vlakjes men opmerkt. De Reformatie is geene ontkenning maar eene bevestiging. Op de vraag of persoonlijke zekerheid mogelijk is heeft de Middeneeuwsche Kerk geen beslist antwoord gegeven. Luther heeft moedig “ja” geantwoord. Wij hebben hier nu niet subjectieve toepassing van een gegeven inhoud maar een concentratie in het geweten, den persoon. In den strijd tegen de Wederdoopers heeft Luther iets anders opgenomen. Men schold elkander voor “Schwärmgeister” en “Letterknechten.” Om den nood der tijd de letter als criterium. De waarheid wordt eene exegetische grootheid. In Zwitserland komt men tot de vocaal inspiratie. De bodem is het persoonlijke geloofsleven. In den strijd tegen de Wederdoopers wordt de intellectueele factor éénzijdig versterkt. Het probleem verscherpt. De leeken spreken mee eenvoudig omdat er geen leeken bestaan. Zij mogen mee spreken over de prediking want het betreft hun eigen voedsel. Streng te oordeelen over een opgewarmd Clericalisme. Het “credo ut intelligam” met zijne tegenstelling ondergaat hier verscherping. Bij het Protestantisme minder excessen noch dogmatische overschatting noch dogma-versmadende mystiek. Hier ontstond het probleem van den nieuweren Tijd (theoretische en practische Vernunft). De Scolastiek is in de Middeneeuwen het firmament boven, de mystiek een element beneden. Het is alsof God met de Reformatie andermaal gezegd heeft: “Laat ons menschen maken.” In het geloof is een mannelijke factor het weten en een vrouwelijke: het vertrouwen. Nú de vraag of een van beiden de prioriteit moet hebben. Twee lijnen: Comrie en à Brakel. De argumenten vindt men in: Het Werk van den Heiligen Geest van Kuyper. A Brakel onderstelt echter reeds notitia en Comrie reeds geloofsvermogen. Bij beiden wordt een der termen geëlimineerd. Dit wreekt zich. Van meer invloed wordt het bij den bouw van nieuwe dogmatische systemen. Er komt eene nieuwe dogmatische werkzaamheid met Schleiermacher. Kuyper zegt dat hij de godgeleerdheid weer in eere gebracht heeft en Neander dat met hem eene nieuwe aera begint. Waarin bestaat het Epoche-makende van Schleiermacher? Hij ondervraagt den moreelen factor en bouwt zoo de dogmatiek op. De niet-logische factor krijgt zeggenschap over den logischen. Beck spreekt van een gesublimeerd Rationalisme en Hernhuttersche gevoelsmystiek. Het gaat in tegen het eenzijdig intellectueele. Het is niet vergeefsch. Zóó wordt een miskend feit op den voorgrond gebracht. Het humaan karakter der Christelijke waarheid erkend, waarvoor Gunning en De la Saussaye Sr. zoo vaak zijn ingetreden. De la Saussaye Jr. heeft dat ook in de Stichtelijke Uren van Beets geprezen. Gunning zegt: “bovennatuurlijk is niet bovenmenschelijk, want de mensch staat boven de natuur.” Het is niet de humaniteit van de Groninger School en het Modernisme van de eeuwige realiteit. Aan de eeuwige realiteit beantwoordt de Mikrokosmos. Het beeld Gods in den mensch. “Dood in zonden en misdaden” is een beschuldiging. De oude mensch moet uitgeworpen worden uit den geheelen mensch (Luther). Het humaan karakter is niet altijd in het oog gehouden (Vergelijk Luthers uitlatingen over de rede). Flacius heeft de zonde het wezen van den mensch genoemd. Onze belijdenis anders als zij spreekt van “kleine overblijfselen.” In den locus de Sacra Scriptura is te weinig rekening gehouden met het testimonium Spiritus Sancti meer met de gedachte van autopistos. De godsdienst vroeger genoemd “de wijze om God recht te kennen en te eeren.” Bij Schleiermacher is het noch een weten noch een doen maar eene bepaling van het gevoel. Dat schijnt vlak tegen elkander over te staan, maar de tegenstelling is net zoo erg als zij lijkt. De moreele factor wordt bij Schleiermacher minder onlogisch en de intellectueele minder helder. In de Reden van Schleiermacher is dit humaan karakter der Religie uitgesproken, in de Glaubenslehre vormt het het leidend beginsel. Het intellectueele en moreele doordringen elkander. Zoo zijn groote voordeelen behaald maar er zijn ook groote gevaren aan verbonden. Voordeelen. De Dogmatiek staat sterk tegenover het Rationalisme. De dogmata zijn niet meer onttrokken aan alle bespreking. Zij krijgen meer veroordeelende en vrijsprekende kracht. Men trekt geen al te gemakkelijke besluiten. Om daarvan een voorbeeld te geven. Dr. Kuyper gaat bij de wedergeboorte uit van een klein kind. Daar is het eenvoudiger, zegt Dr. Kuyper. Zoo kan men echter alle kwesties gemakkelijk oplossen als men eerst de moeilijkheden wegneemt. Hier krijgt men eene scolastiek die denkelijk achterstaat bij de Gereformeerde Vaderen. Men krijgt verder syllogismen wier eenvoudigheid bewijst dat zij ongewenst zijn. Zoo als men uit de waarheid der verkiezing besluit tot de verwerping. Er wordt dan niet gerekend met het mysterie der menschelijke persoonlijkheid en vrijheid. Met Schleiermacher is een beslissende stap vooruit gedaan tegenover alle Rationalisme. Hier wordt gevraagd plastisch te denken. Men wordt minder logisch maar wij hebben hier ‘het dwaze Gods.’ Gevaren. Dat er gevaren zijn is eene aanbeveling. De toestand der Roomsche kerk bewijst dat het niet baat ze te ontloopen. Men moet niet vergeten dat wel de aard maar niet de mate der waarheid bepaald is. Men kan gaan spreken van waardeeringsoordeelen. Men kan de waarheid wel geschikt achten voor de levensbeoefening maar niet voor de levensbeschouwing (school van Ritschl). Niet mogelijk van het moreele weer tot het metaphysische op te klimmen. Ontkenning van metphysica is dan daad van eerlijkheid. Ds. Talma heeft gezegd: De fout zit in het scheiden waar slechts onderscheiden geboden is. Er bestaat gevaar dat de dogma’s steeds meer inkrimpen. Men heeft steeds minder te antwoorden. Het gevaar van de binnenkamer te krijgen in modernen zin ook dogmatisch. Beck heeft gewezen op het gevaar der Vermittlungstheologen. Tegenwoordig is men bezig de geloovige subjectiviteit (individueel of kerkelijk) op den voorgrond te stellen. Gevaar dat het “de waarheid voor den mensch” zal opgevat worden als “de waarheid naar den mensch” of “uit den mensch.” Er moet nog op eene tweede zaak gewezen worden. In kiem komt zij ook weer bij Schleiermacher voor. De Romantica heeft geleid tot bestuderen der historie. Men wordt Christocentrisch. Schleiermacher heeft het in de Glaubenslehre niet geheel uitgewerkt. Het doel wordt nu niet alleen Christus’ woorden te hooren, maar door te dringen in Christus’ zelfbewustzijn. Christus te kennen als den Zoon Gods. Gewezen wordt op een artikel van De la Saussaye Jr. in Onze Eeuw over het Absolute. Hier moet ook gewezen op het historisch onderzoek naar de geschiedenis der openbaring in Israël en op de dogmen-historie. Evenals bij het vorige punt (psychologie) hier ook eenerzijds hechtere grondslagen anderzijds moeilijkheid. Een beetje historie uitnemend middel tegen groote woorden. De dorst naar realiteit heeft op de banen der geschiedenis gedreven. De historie kan doen zien dat de begrippen werkelijkheden zijn. Men ziet de krachten van de belijdenis der Drieëenheid van het Zoonschap van Christus van de rechtvaardigmaking. Met een citaat van Eucken Geistige Strömungen der Gegenwart wordt aangegeven dat ook tusschen het historische en metaphysische eene klove gaapt. Maar met dit alles mag echter de bedoelde winst niet verloren gaan. De psychologische winst maakt sterk tegen de scolastiek de historie tegen de heerschappij der letter. Het ethisch moment maakt sterk tegen het Pantheïsme. De nieuwere theoloog is minder vatbaar voor mystiekerij dan de 17de- en 18de-eeuwsche! De psychologische winst maakt sterker tegen de Scolastiek. Het maakt verschil of men het leven predikt als vrucht van het geloof of het geloof als princiep van het leven (De la Saussaye Sr.). De belijdenis: Gij zijt de Christus de Zoon des levenden Gods wijst de metaphysische hoogte aan, het woord: Heere tot wien zullen wij heengaan, gij enz. is een bewustzijnstoestand maar wijst op het eerste heen. De volle ervaring van het eerste ligt op de lijn van het laatste. Zoo ook is wedergeboorte metaphysisch begrip en ethisch gebeuren. Dogmatisch is het zijn in de oude theologie daarom ook op beide wijzen opgevat. Bij moreele opvatting van het dogma ook minder gevaar voor Methodisme. Meer gelegenheid voor individuele verscheidenheid. Met Schleiermacher niet iets geheel nieuws. Het wordt gevonden bij Luther en Calvijn vooral in diens commentaren. De kantteekening wijst in dit opzicht tegenover Calvijn achteruitgang aan. Het metaphysisch tekort van de nieuwe theologie is de prijs, die betaald is voor het psychologisch tekort van de oude theologie. Men mag wat de nieuwere arbeid geleerd heeft niet negeeren. Dan wordt men meer Scolastiek dan te voren. Deze Scolastiseering is door Dr. Kleyn aan Dr. Kuyper verweten. Men komt op voor de eer der dogmatiek. Maar staat het aan menschen in elken tijd aan een systematischen arbeid de eereplaats te geven? Wat aan doorzichtigheid verloren gaat kan soms aan belangstelling gewonnen worden. Een half werelddeel interesseerde zich voor den Babel-Bibel strijd. De dingen komen nooit op dezelfde manier terug. Wij moeten het oude herkennen in het nieuwe “kleed”. Israëls profeten staan ons thans duidelijker voor den geest dan vroeger. De rectorale oraties aan de Vrije Universiteit zijn wandelingen in den nieuwen tuin. Zou er anders belangstelling zijn? Naar synthese dwingt ook onze tijd, maar men mag de problemen niet ontwijken. Jobs vrienden hebben eene volkomen doorzichtige leer aangaande de vergelding, maar Job kan zich die zedelijk niet toeëigenen. Het heil wordt verhoogd tot de beschouwing: God is groot en wij begrijpen Hem niet. Het dogmatisch begrip kan als het te laag getimmerd is het leven tegenhouden. Minder belangstelling voor de vraag naar één of twee willen bij Christus maar geen mindere belangstelling voor den persoon van Christus. Spreker heeft groote eerbied voor den arbeid van het Neo-Calvinisme maar vreest dat het theologisch te scholastisch is voor het Christelijke leven der 20ste eeuw. 2. De historische winst maakt sterker tegenover de heerschappij der letter. Wanneer, zooals Rome slechts één dogma heeft dat de gewetens bindt, het dogma der Kerk, wanneer zoo het Protestantisme een dogma krijgt, de leer aangaande de Heilige Schrift, dan loopt dat uit op een nieuwe fides implicita. Dan loopt elke geloofsovertuiging met een omweg over de overtuiging aangaande de Schrift. De betrekking moet tot elke waarheid direct zijn. Wanneer eenzelfde geloofsbetrekking gevraagd wordt ten opzichte van den opgestanen Heiland en de minst belangrijke historische gebeurtenis uit de Schrift beide op uitwendig gezag dan moet dat leiden tot vernietiging van het dogma en ten slotte ook het gezag der Schrift ondermijnen. Dat persoonlijke zekerheid mogelijk is moet met verdubbelden Protestantschen nadruk bevestigd worden. De klove tusschen dogmatiek en zedelijke zekerheid moet kleiner worden. Achter gaven, bedieningen en werkingen staan Vader, Zoon en H. Geest. “Dit weten wij”, zegt de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, uit de H. Schrift als uit de werkingen die er van uitgaan, voornamelijk die welke wij in ons gevoelen. Schrift, belijdenis der Kerk, getuigenis des Heiligen Geestes in het hart. Bijbel, historie, psychologie. Door deze drie komt tot ons het woord van den levenden God. Daar is de metaphysische hoogte bereikt en dat is ook het zegel van dogmatische zekerheid. Aan de discussie over deze rede werd door een drietal der aanwezigen deelgenomen. Nadat de referent deze sprekers beantwoord had, werd opgemerkt dat het stuk een geestelijk bad had gegeven en vermogens die sluimerden weer eens had opgewekt.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 189. H. Visser aan O. NoordmansIdsegahuizum en Piaam 1903-1910191. Ouders aan Oepke →