191. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 20 februari 1906
Geliefde Oepke,
Volgens afspraak zouden wij u de afloop berichten van het afhalen door Van der Meer van Baaije uit Utrecht. Van der Meer heeft Baaije vandaar ten gevolge van haar sterk verlangen om daar vandaan te mogen, tegen de raad van de doktoren in, van Utrecht naar Zeist gebracht, bij de ...1 u bekend. Maar zoals Van der Meer vreesde is het uitgekomen. Baaije weigert beslist om te eten en heeft in de vier dagen dat zij in Zeist geweest is, volgens de berichten die Van der Meer gistermorgen ontving, niets gebruikt. Zij zal dus daar weer vandaan moeten, maar waarheen? Terug, of naar een ander gesticht, of? Verder kan ik u niets schrijven, wel is Van der Meer gisteren bij ons geweest: maar ik kan u desaangaande niets schrijven, omdat wij niets weten. Uw referaat2 heb ik in De Banier3 gelezen en heb de indruk gekregen dat het nogal wetenschappelijk was en dus te diepe kost voor mij, ik schrijf dus daarover ook niet. Wel bewaar ik het stuk zoals het in De Banier staat en hoop ik dit nog eens te lezen en te herlezen, voorshands schort ik mijn oordeel op. Bijzonderheden hebben wij niet, mijn gezondheid is nu een dag of drie, vier, veel beter, dewijl ik op het ogenblik weinig last heb van mijn onderbuikskwaal. Zijt verder hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder,
D.P. Noordmans, G.O. de Roos.
Ontvang ook de groeten van uw u liefhebbende nicht Betje.
(AN)