Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Idsegahuizum en Piaam 1903-1910

Weergave
Passages naar Readwise sturen

198. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 3 oktober 1907

Geliefde Oepke,

Heden of liever gezegd morgen voormiddag verzenden wij D.V. aan uw adres met S. van der Weide en verder met Lollema een mandje met peren en een klein derde deel onder in het mandje reinetten, zure, de peren zijn stoofperen en moeten vooral niet lang gespaard worden, dewijl ze spoedig beginnen te rotten. Gij kent het soort zeker wel. Ze worden thans aan uw adres verzonden. Bij gelegenheid s.v.p. het mandje terug. De feestviering van de 25-jarige ambtsbediening en de gedachtenisviering daarvan door ds. Flieringa1 in de kerk is zoals gij weet gepasseerd en in goede orde afgelopen. Flieringa zal u een en ander daarvan hebben meegedeeld en ik zwijg er dus heden van. Gij komt zeker ook al eens weer kijken. Mijn gezondheid is en blijft zeer op en afgaande. Op heden aardig goed. Moeder is thans zeer goed gezond. De mazelen bij Jakob zijn kinderen zijn goed afgelopen en ze zijn of weer hersteld of herstellende. Tot nog toe zijn moeder en ik er niet geweest. Kan het, dan hebben wij plan er twee à drie dagen heen te gaan in de derde week van oktober. Gij zult vermoedelijk wel eerder komen en zo niet dan waarschuwen wij u voordat wij van huis gaan. Meer heb ik u niet te schrijven. Wees intussen hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder,

D.P. Noordmans en G.O. de Roos.

(AN)

Noten

  1. 1

    Ds. P. Flieringa Gzn, zie brief nr. 115 (14.6.1897), n. 3.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 197. Ouders aan OepkeIdsegahuizum en Piaam 1903-1910199. Oepke aan zijn ouders →