236. Moeder aan Oepke
Scharnegoutum, augustus 1909
Geliefde zoon,
Uw berichten zijn mij geworden. Gelukkig dat zij altijd gunstig waren. Dit is mijn tweede schrijven aan u. Verleden maandag kreeg ik bericht dat u nog een paar dagen in Heidelberg bleef. Ik heb toen dadelijk geschreven en in die brief ook een briefkaart van ds. Norel1 ingesloten. De volgende dag kreeg ik weer bericht, dat u maandag al van Heidelberg afgereisd was. Heeft u die brief nu al? Het is alle morgens weer aangenaam zulke goede berichten en zulke mooie ansichten van u te ontvangen. Donderdag zijn Ina2 en ik naar Sneek geweest [...]3 Wij hebben een beste reis gehad. De laatste dagen zijn er anders geen berichten ingekomen, behalve deze briefkaart die doe ik er maar bij in. Spijtig dat het in het eerst altijd regende. Maar nu is het mooi weer. Gelukkig, anders is het lang niet zo prettig als het zo donker is. De zon maakt het altijd veel helderder. Als iemand verre reizen doet, dan kan hij wat vertellen, nietwaar, Oepke. Het is hier tegenwoordig nogal groeizaam. Het is in de laatste tijden nogal meegevallen. De regen heeft met het mooie weer veel goed geklaard. Er komt wel geen [gras?] genoeg. Maar toch komt het weer aardig. Ik ontvang altijd bericht van u wanneer u thuis komt, Oepke, dan weet men er altijd wat van. Alles wel, behalve: ik heb veel hoofdpijn. Hiermede zal ik maar eindigen. In de hoop dat u deze in gezondheid moogt ontvangen, noem ik mij na hartelijke groeten gedaan te hebben uw u liefhebbende moeder
G. N. de Roos.
(AN)