266. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, 26 juni 1910
Amice,
In De Nederlander zie ik dat ge zondag a.s.2 afscheid gaat nemen van de Skuster gemeente. Ik vermoed dat het u gaat als het mij ging: bij innerlijke rust en vrede, ja voor een deel blijdschap, is er toch weemoed, het gaan grijpt toch aan. Er is zoveel te gedenken, veel strijd, maar ook veel zegen. God gaf u en mij daar veel goeds. En de arbeid bleef niet ongezegend. De weemoed echter wordt sterker omdat de toekomst voor Skuzum zo donker is. De vloek der doleantie wordt daar zo getast. En nu komt vlak voor uw heengaan, het sterven van Seekles.3 Dat is een groot verlies. Hij mocht geen krachtige en scherpbelijnde persoonlijkheid zijn, hij was welmenend, had hart voor gemeentebelangen en bleef voor Skuzum het goede zoeken. In zijn huis heerste vrede en beschaving. Voor mij is het gezin meer geweest dan de mensjes ooit geweten hebben. Misschien meer indirect dan direct. Maar het feit is zo. De Heer ontferme zich over die kleine gemeente, die ik gediend heb, die mij diende. Ik hoop dat men de moed niet opgeeft. Het is m.i. gewenst dat ze spoedig werk maken van een beroep en dat men niet sukkelt. Ik hoop dat gij ze kunt inspireren. Ik weet niemand, anders zou ik gaarne een naam noemen. Dit jaar examineerde ik er vier, maar voor Skuzum is er m.i. geen timmerhout bij. Misschien zijt ge reeds bezig, maar ik vermoed dat men kalmpjes aan wil, eerst maar eens een jaartje vakant. Groet de vrienden als er gelegenheid voor is en als ge het nodig keurt mede te delen dat ik oordeel dat men spoedig naar een opvolger uitziet, doe het dan. Het heengaan van Seekles maakt Skuzum voor mij armer, uw vertrek maakt Skuzum voor mij leeg. Al komt er een goede opvolger, de band der geschiedenis ontbreekt; met u werd voor mijn gevoel de historielijn voortgezet. Doel van mijn schrijven was eenvoudig u een blijk van belangstelling te geven en u sterkte te wensen voor de moeilijke dag van zondag. Ik was vandaag toch met u bezig. Ik ontving nu eerst de Stemmen van februari en las uw stuk over De Hartog.4 Met genot en instemming las ik het, al beken ik gulweg dat het mij hier en daar te hoog ging. Ik heb de studie teveel verwaarloosd. Dat drukt mij wel eens, vooral als ik dergelijke stukken als van u lees. God zegene u rijkelijk in Suameer. Met uw intree schrijf ik niet - uw huwelijk geeft mij straks wel aanleiding - wees van mijn belangstelling overtuigd. In mijn huis is alles wel. De beide meiskes maken het best. De derde wordt in juli met blijdschap verwacht. De Heer make alles wel. Met vriendelijke groeten ook van mijn vrouw en met de beste wensen voor het leven dat voor u ligt. Als steeds tt.
H. Visser.
(AN)