265. A.H. de Hartog1 aan O. Noordmans
Haarlem, 30 mei 1910
Amice,
Dank voor je schrijven, zo rijk.2 Ook mij zou het goed doen, je eens weer te spreken. Maar bovenal dit woord om je mijn hartelijke deelneming uit te spreken bij het verlies, dat je leed. Ik zelf weet bij ondervinding, hoe de wereld verkeert, als de Moeder sterft. En ik vermoed, dat wij ook in dit opzicht gelijkelijk gevoelen. Zo heb ik dan geen andere of betere bede dan deze, die bij mij zelf in vervulling ging: dat God maar inkere waar het ledig werd. Emerson3 heeft ergens gezegd: engelen vertrekken, opdat aartsengelen komen zouden. Wij kennen heerlijker troost nog: God vervult met zich zelf, waar het schepsel ons ledig laat. Met een stille handdruk in medeleven, je
De Hartog
(AN)