347. W.Th. Boissevain1 aan O. Noordmans
Oegstgeest, 23 april 1925
Amice collega,
Gaarne wilde ik, ook met het oog op het ter perse gaan van uw verhandeling over Kohlbrugge2 u nog schrijven, of het in uw referaat wel tot zijn recht gekomen is, dat bij Kohlbrugge toch een heel stuk persoonlijkheidsidee zit in zijn tegenstelling vlees en geest. ‘Vlees’ is bij Kohlbrugge (niet zoals ik meen bij Barth) het creatuurlijke, het geschapene, maar de toestand van de gevallen mens; en de zonde zoekt Kohlbrugge ten slotte in het ‘Ik’ van de mens, terwijl het bij Barth me dunkt te zeer gezocht wordt in het creatuurlijke. Ik wees reeds op de idee, dat Jezus overwonnen heeft door het geloof, de betekenis dezer uitdrukking ontsluit pas de overweging, dat Kohlbrugge haar gewikkeld heeft in de oude christologie (twee-naturenleer), terwijl zij eigenlijk deze leer ‘sprengt’?3 Zij kan dan ook leiden tot de persoonlijkheidsidee, want “geloof” is hier ethisch verstaan (niet demonisch). Dat bedoelde m.i. Oorthuys.4 Jezus is in ons vlees, in ons zondig vlees, in onze afgevallen staat - buiten God - afgedaald. Wat Van Selms5 uit Barth voorlas: dat is nu m.i. ethisch d.w.z. Kohlbrugge’s geest, en niet Barth’s geest. Hoewel: Barth is zeer veelzijdig en heeft zichzelf in Kohlbrugge teruggevonden, zoals hij aan Schumacher6 verklaarde. Als Kohlbrugge ‘door het creatuurlijke heenzakt’ komt hij terecht op de Schrift. Maar deze grond heeft Barth niet, want die is onherroepelijk weggegraven door de historische school, door wat men schriftcritiek noemt. Daarom komt Barth terecht in: het niet, de onbekende God. Voor Kohlbrugge is typisch zijn versje:
Nu twijfel, dan geloof
Zo gaat het op en neer.
Waar vindt de ziele rust?
Rust vindt zij in den Heer.7
En dat is: het vleesgeworden Woord, eigenlijk: de Schrift. Kohlbrugge heft het creatuurlijke niet op, maar de mens in zijn ‘Ik’ (vlees), ‘want ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’8 Zijn deze gedachtengangen ook de uwe? Hartelijk gegroet Uw dienstw.
W.Th. Boissevain.
(AN)