279. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, [mei/juni 1913]2
Amice,
Met belangstelling volg ik uw polemiek3 met Groot Enzerink4 en straks met H. Bakker.5 Zeer hoop ik dat gij uw denkbeelden nader ontwikkelt. Gij hebt wat te zeggen en kunt het goed zeggen, zij het ook niet zo populair als wel wenselijk was voor velen. Dit ligt m.i. voor een deel aan u maar voor een groot deel ook aan de diepte van uw opvatting. Het juridische6 is nu eenmaal klaarder te zeggen dan het medische of het ethische. Uw bezwaar tegen de methode der formule7 gevoel ik zeer, gelijk ik ook zonder instemming en ook zonder tegenstand op de vergadering te Beetsterzwaag8 heb trachten te zeggen. Toch kan ik nog niet zeggen dat ik geheel met u medega voorzover ik u althans begrijp. De bezwaren van H. Bakker9 zijn ook bij mij opgekomen. Ik vermoed dat gij niet tegen een formulering zijt, maar dat ge de zonde der formule wilt vermijden. Als men de kracht in de formule zoekt, scheidt men gelovigen die door levenseenheid bij elkaar horen. Ik kon niet op de vergadering van de Confessionele Vereniging10 zijn. Mijn indruk is ook dat er iets broeit. Men voelt dat in de oppositie tegen Wagenaar11 en Schokking12 een andere methode aan het woord is; van een ander standpunt, het engere partijstandpunt wordt uitgegaan. Van eigenlijke sympathie voor de reorganisatiebeweging zoals die bedoeld is door Hoedemaker en Gunning13 heb ik bij mannen als Oorthuys cs.14 nooit veel gemerkt. Het is goed dat er klaarheid komt. Alleen maar dat de hartstochtelijkheid verre blijve. Ik hoop dat ge een rustige zakelijke polemiek met H. Bakker krijgt. Ik begrijp dat de arrogantie van Groot Enzerink die zich de redacteur van het blad voelt en wie het fijn aanvoelen, misschien ook aan diepte en kennis ontbreek, u ergert, maar ik zou maar kalm mijn gedachten ontwikkelen. Mijn bedoeling met dit schrijven is geen ander dan om sympathie te betuigen dat gij deze dingen aan de orde stelt. Met groot genoegen was ik in Beetsterzwaag. Ik heb zeer genoten van uw ruimhartige schoonvader.15 Wat een voorrecht zo opgeruimd te kunnen zijn. Wil je vrouw hartelijk van mij groeten. En ik denk natuurlijk ook aan je voortreffelijke dochter in wie vele deugden schuilen. Zij blijve en worde meer en meer ulieder blijdschap. Welk een voorrecht schenkt God in de gave van een kind. Het is eigenlijk een waagstuk ons zulk een gave toe te vertrouwen. Ik ga de volgende week met mijn levende have buitenaf. Naar Zandvoort om zeelucht te genieten en de familierelatie met Van Lennep16 en Gunning17 te onderhouden. Kom gij daarna maar eens hier. Adieu. Als steeds tt.
H. Visser.
(AN)