349. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Groningen, 27 juli 1925
Amice Noordmans,
Hartelijk dank voor uw brief en overdruk.2 Ik vind het prettig de laatste te bezitten en uw referaat nog eens over te kunnen lezen. Ik ben ook blij, dat gij te Lunteren3 geweest zijt. De ‘jongeren’ gaan in hun waardering van de Zwitsers zover, dat er, tenzij men hen unbedingt volgt, met hen soms niet meer te praten is. Ik had sterk de indruk, te Utrecht4 trouwens nog meer dan te Lunteren, dat er met u wel te praten is en dat gij het gereformeerde (want daarom gaat het toch eigenlijk) niet kwijt wilt. Wat nu uw drie vragen betreft: ad.1 Ik meen niet beweerd te hebben, dat de wending van kennen tot (door God) gekend worden heidens is. Daar moet ik eerst nog eens over nadenken. Wat ik heidens vind, hoewel heidens in de beste zin, zeggen wij: infra-christelijk, is de verkiezing van de ‘grote religie’ tegenover de kleine. Dat deden de oude Babyloniërs ook, benevens de Grieken in hun verhevenste uitingen. (Zij konden ook niet anders!) Het ontroert mij machtig daarvan te lezen: ik erken er het waarheidsmoment in, de herinnering: denk er aan, God is meerder dan ons hart, meerder ook dan ons geweten, een soort van memento,5 gelijk ik (en ik meen ook gij) eveneens in de mystiek zie. Maar wij kennen God toch alleen in de zedelijke verhouding, in, wilt gij, de ‘kleine religie’. Wij mogen nooit vergeten, dat achter de God-onze Vader-in-Christus de onbegrijpelijke Schepper van hemel en aarde staat (dat blijft een soort reservaat), maar wij weten alleen iets van Hem, die ons onze zonden vergeven heeft. Op de eerste kunnen wij nooit rekenen omdat Hij altijd de ander is; op de laatste moeten wij veilig vertrouwen, omdat zijn liefde elke dag dezelfde is. Nu begin ik langzamerhand te begrijpen, dat gij dit ook wel zo ongeveer met mij eens zijt, maar dat gij meent, dat Barth eraan ontkomt door zijn wending in de kentheorie. Maar dan is het mij niet duidelijk hoe hij vermijdt te vallen in de mystiek, die hij bestrijdt: wordt het subject van het kennen verplaatst naar God, dan krijgen we toch weer het God kennen door God. (Hier heb ik dus nagedacht!) God kent in mij, het is God, die alleen kent en doet. Ik kan immers van dit kennen Gods alleen dan iets afweten wanneer God ‘in mij’ kent. En daarvoor kan alleen de mystiek zorgen, dwz., als ge nu toch wilt, het heidendom. Dat Barth dit gevaar ook loopt, zal ik niet ontkennen, dat hij erin gevallen is, geloof ik niet. Hij anticipeert immers nooit, maar blijft, ondanks alle neiging tot het trekken van consequenties, altijd in onze zedelijk-aardse bedeling, in de kleine religie. Dàn zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. (Verband hiermede houdt - en uitnemend heidens vind ik dan ook de beschouwing van Christus als mens-op-zijn-uiterste, de Messias als het einde van de mens. Dat vinden we in de mysteriegodsdiensten net zo, met de keerzijde van de opstanding erbij. Het is mooi, maar toch wel sterk infra-christelijk. Mijn hele critiek op Barth cum suis vindt gij op uw eigen uitnemende bladzijden 518 en 519.6 Ik kan het niet beter zeggen.) De opmerking van Obbink7 vond ik ook niet prettig èn overbodig. Hij meent het zo kwaad niet, maar drukt zich wel eens wat grof uit en hij heeft een soort angst voor wijsgerige terminologie: ik geloof, dat hij Kant als filosofisch evangelie eens voor al heeft geaccepteerd en nu geneigd is alle andere uitingen als bargoens te interpreteren. Ad 3. Heel graag zien wij, dat de discussie in de brochure8 verwerkt wordt; wil met Korff9 eens overleggen, hoeveel ruimte ge hebt. En neem dan het belangrijkste op. Een enkele paddestoel, mits behoorlijk geprepareerd, zet aan het geheel misschien nog nieuwe kleur bij. Wij zijn de maand augustus in Rijssen; 9 en 16 ben ik bezet, maar ik herhaal, dat ik als er geen noodzaak is, u veel liever hoor preken dan mijzelf. Met vriendelijke groet, uw dw.
Van der Leeuw.
(AN)