350. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Nuenen, 23 augustus 1925
Amice frater,
Het wordt tijd dat ik je eens schrijf. Allereerst om nog te danken voor de overdrukken, 1. van Eltheto,1 2. van de Stemmen voor Waarheid en Vrede.2 Over ’t eerste kan ik weinig meer zeggen. Ik las ’t met lering, gaf ’t ter lezing uit en ontving ’t nog niet weer terug. ’t Tweede las ik met niet minder lering. Als men zelf niet in staat is zo wat te leveren, dan moet men - ’t recept is van dr. Kromsigt,3 op de predikantenvergadering - er over patroon spelen en goedkeurend zeggen, dat dit is: theologie beoefenen. Ofschoon ik ’t met dit laatste wel eens ben, kan ik mij moeilijk met de patroonshouding verenigen. Dus zeg ik alleen maar, dat ik veel aan dit stuk gehad heb, en dat het verhelderend voor mij was. Overigens zou ik wel eens met je willen praten. Het maakt op mij de indruk, dat je ’t niet met Barth eens bent, maar hem zoveel mogelijk in bescherming neemt. Dat is wel goed, maar ik zou ’t zo niet kunnen. Barth’s Römerbrief irriteert mij. Ik zie Paulus enige duimen groter dan professor Karl Barth. En nu dekt Barth zijn mij onsympathiek geredeneer met de autoriteit van Paulus, en schuift deze allerlei beweringen in de schoenen, waaraan hij nooit gedacht heeft. Dat hindert mij. Als Barth wat beweren wil, laat hij dat beweren, maar - zonder anderen te verknoeien. Ik denk dat ik te historisch voel. Dogmatici als Barth hebben maling aan historie. De ware dogmatiek mag dat niet, maar moet aan de historie haar plaats geven. Dat is de grote puzzle. Overigens geloof ik wel, dat ’t poneren van ’t irrationele van betekenis is en als reactie nodig op allerlei relativisme. ’t Schijnt dat de studerende jongelingschap dit ook zo voelt. Maar zelf heb ik van relativisme nooit die last gehad, dat ik Barth kan aanvoelen als een bevrijder. Hij slaat even sterk rechts door, als de relativisten links. Maar daarmee komt hij blijkbaar tegemoet aan een tegenwoordige behoefte. Mijn behoefte ligt in de verzoening van het absolute met het historische en daarin helpt hij mij niet. Maar theologie genoeg. Hoe gaat ’t jullie? Zelf aan de studie in de zomermaanden? En vrouw en kinderen goed? Wij zitten in Brabant. Als wij deze week weer naar Zeist afreizen, hebben we hier vijf weken doorgebracht in Nuenen, vroeger standplaats van B. de Ligt.4 We zitten ook in de pastorie, en vijf weken lang heb ik de preekdienst waargenomen. ’t Is hier natuurlijk door en door rooms. De protestanten vormen een verdwijnend kleine minderheid en het komt mij voor, dat zij, hier ten minste, niet sterk staan in het geloof. Ze zouden juist krachtig zich moeten uiten. Maar er is veel onverschilligheid. Misschien dat de fabrieken daaraan geen goed doen. Hier in de omgeving van Eindhoven zijn veel fabrieksarbeiders, die in de dorpen wonen: de helft van Nuenen werkt in Eindhoven, zei iemand mij. ’t Land zelf is mooi, doet dikwijls aan de Achterhoek denken. Alleen de grote kerken, in kleine gehuchten soms als een kathedraal, de vele nieuwe roomse scholen, gestichten, kloosters waarmee ’t land bezaaid is, maken ’t hier voor een nuchter christen een land der vreemdelingschappen. - Nu, heb ’t goed, met je gezin. Hartelijke groeten van ons allen, aan allen, tt.
Nus Brouwer.
(AN)