389. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Haarlem, 11 januari 1931
Hooggeachte Noordmans,
De bewerking van het Praeludium,1 die u dezer dagen bereiken zal, is in maart en april van 1929 in der haast tot stand gekomen, omdat het ding ± 2 weken vóór de sterfdag van Gunning op de boekenmarkt moest zijn. De onvaste hand, die hier en daar duidelijk te merken is, wordt niet verontschuldigd maar voor een deel verklaard uit deze omstandigheden. Naast uw gedrongen, magistrale trant van de woorden neer te zetten en het onwezenlijke te làten, weg te laten of open te laten, doet dit mijn geschrift wel zéér jong, zeer aarzelend en zeer vroeg-móe aan. Maar ik zou het toch zeer op prijs stellen, als u het zoudt willen lezen, vooral omdat, door èn in het tweeslachtige van het geschrift èn van de stof, hier en daar iets te lezen is, dat u wel niets nieuws doet zien (hoe zou dat?) maar dat u toch smaken zal naar verwantschap. Om niet te veel van uw tijd te vergen voeg ik een lijstje bij van de nieuwe pagina’s. Hoogachtend, uw dw.,
K.H. Miskotte.
Nieuw zijn P. 10-14 onbelangrijk; in p. 14-30 zijn enkele passages ingevoegd, die alleen als typering misschien ‘aardig’ zijn. Op p. 40 behoort in de 9e regel van onderen ingevoegd: ‘het geloof der gemeente.’ P. 41-66 is oud en doorspekt met wankelmoedigheden, ik wilde de structuur afronden en schrok dan weer terug, kon toch ook niet in dit deel reeds critisch schiften. Nieuw is p. 67-71; p. 92-95; p. 100-104; p. 105-110; p. 115-117; (p. 118-141, het overzicht der geschriften schijnt mij werkelijk enigszins verrijkt door enkele omschrijvingen). Nieuw is p. 146-148; p. 150-166, dit is wellicht een noodzakelijke aanvulling geweest; p. 169-207.
(AN)