390. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Utrecht, 13 januari 1931
Amice frater,
Om alle mogelijk misverstand te voorkomen, enz., dit. Het voorlopig getypte manifest, waarin de opmerking over reorganisatie niet voorkomt, was opgesteld door Obbink1 (daartoe door de vergadering aangezocht) en niet door mij. Ik heb het maar vluchtig doorgezien, voordat het aan de leden van het moderamen werd voorgelegd, omdat ik het heel volhandig had en ik meende, dat het moderamen daarover zijn opmerkingen zou maken. Toen je mij er op opmerkzaam maakte, dat er niets over de reorganisatie instond, heb ik dat dadelijk als een omissie erkend en gezegd: het moet er natuurlijk in. Een paar dagen later schreef Korff2 die op reis zijnde het manifest laatstleden maandag 5 januari te Bilthoven3 nog niet had gekregen - mij een brief met verschillende opmerkingen, o.a. over de reorganisatie. Hij deed een voorstel, dat mij voorkwam nog juister het gevoelen van het moderamen weer te geven dan de door jou gekozen(?) formulering. Daar ik het geheel met je eens ben en was, dat het een kwestie van feiten betrof - een eerder aangenomen formulering -, legde ik je de nieuwe formulering van Korff voor, met de vraag: vind je dit ook niet juister? Nu je schrijft: neen, met wijziging van de afgesproken formulering zou onze gehele consensus in duigen liggen4 - komt natuurlijk de afgesproken formulering in het manifest (waarvan aan de leden van het moderamen nog een drukproef wordt gestuurd; hierin kun je zien dat het opgenomen is; ook in de proef kunnen enkele wijzigingen nog worden aangebracht als ze maar niet te groot zijn). Met vriendelijke groeten tt.
A.M. Brouwer.
(AN)