392. H. Guittart1 aan O. Noordmans
Oosterend, 24 februari 1931
Amice,
In het laatstverschenen nummer van het Hervormd Zondagsblad had ik de eer, je pas verschenen bundel Geestelijke Perspectieven te recenseren. Ik vertrouw, dat je wel via de uitgever Paris deze recensie onder de ogen krijgt; maar voor ’t geval die machinerie enigszins mocht haperen, zend ik je, voor alle zekerheid, de recensie als uitknipsel maar rechtstreeks. Wanneer je nu de opmerking maakt, dat ik je opstellen wel in ’t algemeen gekarakteriseerd maar niet in détails beoordeeld heb, breng ik daartegenin 1. dat ik me in dezen niet bevoegd acht; ik heb met groot genoegen het hele boek gelezen; maar zelfs Gunning verklaart, in Pniël,2 dat hij sommige stukken voor de derde maal gaat lezen. 2. moest ik letten op de lezerskring van ons blad, men kan daarvoor niet al te hoog of al te diep gaan. In elk geval zal het je, hoop ik, genoegen doen, dat er in je “heitelân”, en in ’t Hervormd Zondagsblad, waarmee je wel eens minder vriendelijke ervaringen hebt gehad zo over je arbeid is geschreven, als ik meende te moeten en te mogen doen ...3 Hopende, dat te uwent (gelijk bij ons in de pastorie) alles wel zij, met hartelijke groeten, van huis tot huis, t.a.v.
H. Guittart.
(AN)