Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

393. D. Tromp1 aan O. Noordmans

Zandvoort, februari 1931

Hooggeachte Ds. Noordmans,

U moet het wel eigenaardig gevonden hebben niets gehoord te hebben op het exemplaar: Geestelijke Perspectieven ‘van den Schrijver.’2 Temeer daar u overtuigd moest zijn van mijn grote dank; hoewel u niet wist van de kinderlijke blijdschap tegenover de onderscheiding van een ‘heros der theologie’. ’t Was zo: allerlei drong zich tussen lezen en schrijven. En ik wilde niet schrijven: ‘hoe heerlijk’ en ‘hoe blij’ en ‘hoe dankbaar’ en ‘hoe knap en voortreffelijk’; of, zoals Obbink in ’t Weekblad3 instructief en een ellips met drie brandpunten. Zo vernederend wilde ik niet schrijven. Daarom zo laat. Maar zeer stellig met grote dank! U weet wel met hoeveel belangstelling ik naar u luister; en met hoeveel voorbarigheid ik u zou willen dringen tot ’t spreken van een omvangrijker en dadelijker geluid. Voorlopig deze perspectieven. U is iemand die ongeveer ’t minst van ons is veranderd onder invloed van de dialectische theologie. U was de enige, nee, niet voorloper, maar ... Wonderlijk uw stuk over praedestinatie uit ’21,4 destijds grotendeels door mij geëxcerpeerd, zonder dat ik iets wist van de schrijver. Wonderlijk hoe weinig gehoor u toen gevonden moet hebben. Trouwens uw hele bundel, uw schrijfwijze is die van een eenzame. U schrijft als ’t ware zo voor u zelf heen. ’t Is niet ontstaan uit gesprek, discussie, ’t is niet in de stijl van gesprek. Uw stijl is van iemand die voor zichzelf formuleert, en ’t geluk heeft het af en toe prachtig beeldend te doen. ’t Geluk, want anders zouden allerlei mensen langs uw bedoeling heengaan. Uw stuk over Kohlbrugge5 is wel een der aantrekkelijkste. Dat over ‘Daad en lot’6 misschien ’t verrassendste. Dat laatste7 wel ’t knapste. ’t Onderstelt veel. En sluit eigenlijk bij geen enkele discussie aan. Alleen uw verwantschap met ’t Gunning boek van Miskotte8 is groot. Wat deze zegt over ‘ethisch’ (blz. 67vv.) kan woordelijk door u worden overgenomen. Overigens: ‘allein, allein, allein’. En de ethische theologie in ons land staat beteuterd! Als ik zo lees (soms ook zo bij Miskotte!) dan kan ik eigenlijk nooit goed de vraag van mij afzetten: ‘waarom toch altijd weer Gunning?’ Waarom zeggen we de dingen niet rechtstreeks teruggaand op Luther en Calvijn, met Thomas als achtergrond. Ik kan het alleen begrijpen vanuit een waardering voor een stuk Hollandse theologie; vanuit een waardering tegenover de persoon van Gunning. Maar overigens heb ik steeds ’t gevoel, niet dat u deze tijd ziet vanuit Gunning; maar Gunning ziet vanuit deze tijd. ’t Schijnt dat we gaan van Gunning naar Barth; inderdaad gaan we van Barth naar Gunning. En de rijkdommen van Gunning blijken dan achteraf. Zijn ‘voetnoten’ bezien vanuit de ‘Randbemerkungen’ van Barth worden rijk. Die rijkdom lag er als belofte in, maar Gunning zelf waren ze meer aarzeling, onzekerheid, dan positieve heenwijzing. Hij heeft er de vreugde niet van gekend, wellicht vermoed. In zoverre dan zuivering van gezichteinder vreugde betekenen kan. Als ik u zo zie schrijven vanuit de Groninger richting, Réveil, ethische theologie en ik zie in uw oog de verborgen vreugde der beloften, de eschatologische nuchterheid, de vertroostingen van de Geest, dan moet ik denken aan Zebedeüs van Van Looij:9 ‘O, murmelde hij, deze lafenis zo volop te kunnen drinken, tot het verlangen ondorstig is geworden, zonder nood; niet meer getourmenteerd of moede, mijn koffertje weegt me als lood.’ Dit koffertje bij u is een theologie waarvan u lang afscheid nam. U staat in een ander land. ’t Oude land wordt er hier en daar door beschenen. ’t Kan wat licht opvangen. Maar verder ... ’t is de oude bornput die u een helm vol water geeft; en ik weet niet eens of u het drinken zult! ’t Laatste is zwaar. Niet ’t minst omdat u telkens moet zeggen: ‘Intussen’ (146); ‘zo zou’ (152); ‘meer ideëel’ (160).10 Telkens moet u zich inhouden. Omdat de ethische theologie veel te borstig, veel te traag is voor zo’n bergtocht. Ik wil zeggen in hun woorden: ’t is zo moeilijk. U wilt aanknopen, maar het rafelt telkens uit; u wilt steeds voortgaan, maar wordt steeds opgehouden. Als u zich nu eens losgemaakt had en zonder oponthoud eens had blootgelegd wat een theologie is met centra als triniteit en predestinatie. Met als paradigma b.v. Calvijn. En dat doorgetrokken had tot op onze situatie. Begrijp me goed, ’t is geen kritiek. Maar ik verwacht van de bearbeiding der oude ethische theologie zo weinig. Omdat ze ons jongeren weinig geeft; en omdat er geen ‘ethische’ meer achter staat.11 Wat zij hebben is: Herrmann;12 Aulén;13 Chantepie de la Saussaye Jr.14 U las toch K. Barth: Vom heiligen Geist?15 Waarom zegt u dan dat de dialectische theologie de ‘vervulling’ niet vergeten mag? (165). Barth zegt het in genoemd werkje vanaf blz. 96.16 Uw opmerking over ‘richting’ bij de dialectische theologie begreep ik niet goed (157).17 Uw oordeel over ’t zedelijke (blz. 167)18 bij de Zwitsers is niet meer vol te houden! Waardevol is de verbreking der driehoeksformatie.19 Dat is een radicale critiek op het neocalvinisme. Kuyper en Bavinck werkten eigenlijk altijd bij, opdat de zaak zou sluiten. Sloot ’t ergens niet, dan werd het een kwestie van geduld of van hoop. Maar waarom heeft u die hele neocalvinistische theologie niet eens kritisch bekeken? Blz.16820 geeft zo’n verwachting! Zeer waardevol is uw opmerking op blz 168: ‘dat een filosofie van de geest op zichzelf geen slechte wegbereidster is voor de theologie.’ De lezing van H. Barth over die Krisis der Humanität21 was voor mij ook al zo veelzeggend. Immers, Gods Woord, Gods oordeel geschiedt toch aan iets. Ze hebben van te voren de hele humaniteit al zo ver in de afgrond geslingerd dat we moeten zoeken naar een object voor Gods concrete oordelen en woorden. De humaniteit kreeg niet eens gelegenheid om iets terug te zeggen! Of prof. Aalders22 niet groter differentiatie heeft in zijn ‘zijns’- principe dan u toegeeft (blz. 172)23 betwijfel ik. Trouwens, ook bij de kritische philosofie is hij groot. Cf. Ovink.24 Waarom gebruikt u op blz. 17525 het misleidende woord ‘ontologie’? Wat een ongelofelijk rijke bladzijde: 167, 146, 144;26 ’t beeld onderaan op blz. 158.27 Als ik bezwaren mag noemen? 1) De historische belasting. Uw werkelijk gesprek gaat tegen critische filosofie, fenomenologie, tegen de ethische theologie, die u tegelijk in uw voortgang remt. 2) Uw verwachting (blz. 165) ‘Wanneer ...’28 Juist, ‘wanneer’. In ’t begrip ‘ethisch’ draagt u al uw kritiek op de ethische richting. U heeft veel meer te zeggen dan blijkt uit blz 165vv. U is in wezen veel kritischer dan u toegeeft. Als u prolegomena ging schrijven als Barth zouden ze er niet veel van behoeven te verschillen en zouden ze niet minder critisch zijn. U spaart de Hollandse theologie zoals u een vriend spaart. Maar in wezen is de afstand nogal groot. Uw verwantschap met Kohlbrugge is veel groter dan met Gunning. En eigenlijk is uw oordeel even fel als het zijne. Achter een blz. als 166 ligt voor u veel minder vraag als wel overtuiging.29 Of vindt u dat terrein waarop de ethische theologie zich beweegt het veld voor de afleiding van de hoogspanning der dialectische theologie? Maar wedergeboorte stelt u toch geheel eschatologisch? Tenminste? Is u dat zeer ernst wanneer u zegt op blz. 165: ‘En degenen die ...’30 Is dat niet ‘richting’? ’k Eindig. Ik dank u voor veel. Ik wacht ook nog op veel. Uit de buitengewone helderheid van ’t opstel ‘De Zwitserse theologie’31 weten we waar u thuis is. Maar ’t houdt een eigen klank. Niet voor niets spreekt u zo weinig over kerk en sacrament. Ik weet niet hoeveel of hoe weinig liefde van uzelf in opstel VII32 ligt. Ik zelf zit nog al eens met de betekenis van de wet in de Bijbel; en ’t verschil tussen wet en gebod; tussen wet en ‘vorm’ der wet; ‘veroordeling’ der wet, en nieuwe wet. Als ik tijd vind schrijf ik u er over.

Is u hersteld? Bij ons gaat alles goed. ’k Dank mevrouw voor haar hartelijk briefje. Met vriendelijke groet en veel dank, uw,

D. Tromp.

(AN)

Noten

  1. 1

    D. Tromp (1888-1948), herv. pred. te Lemele 1923, Haarlem 1926, Zandvoort 1929, Amsterdam 1944-1948, met ON een der eersten die Barth in Nederland hebben geïntroduceerd: De nieuwe theologie. De school van Barth (Baarn 1926). Aanvankelijk lid van ‘Kerk en Vrede’ verliet hij deze beweging evenals Miskotte vanwege de ontwikkelingen in Duitsland. In de oorlog nam hij deel aan de kerkelijke verzetsgroep, de ‘Lunterse Kring’ o.l.v. J. Koopmans. In juni 1945 trad hij met vijf andere Amsterdamse predikanten (o.a. J.J. Buskes) toe tot de SDAP. Hij maakte deel uit van de redactie van In de Waagschaal. Zie de inleiding van K.H. Miskotte op D. Tromp Verbond tegen het lot (Amsterdam 1949).↩

  2. 2

    ⚑Tromp heeft klaarblijkelijk een presentexemplaar van ON ontvangen van Geestelijke Perspectieven (Amsterdam 1930).↩

  3. 3

    H.Th. Obbink, zie brief nr. 349 (27.7.1925), n. 7), AWCC 7 (27.2.1931) nr. 17.↩

  4. 4

    ‘Predestinatie’, VW 2, 124-134.↩

  5. 5

    ‘De betekenis van Kohlbrugge voor de theologie van onze tijd’, VW 3, 507-526.↩

  6. 6

    ‘Daad en lot’, VW 6, 590-603.↩

  7. 7

    ‘Ontwikkeling en toekomst van de ethische theologie’, VW 3, 435-481.↩

  8. 8

    K.H. Miskotte Johannes Hermanus Gunning (Rotterdam 1929).↩

  9. 9

    J. van Looy (1855-1930), Nederlands schrijver en schilder, schreef o.a. De wonderlijke avonturen van Zebedeüs (1910; voortgezet in 2 dln. Bijlagen 1925). Het meest bekend werd de autobiografische roman Jaapje (1917).↩

  10. 10

    VW 3, 453, 458, 465.↩

  11. 11

    Refereert aan A.M. Brouwers artikel ‘Wat hebben Gunning en Chantepie ons jongeren te zeggen?’ in Stemmen voor Waarheid en Vrede (1923).↩

  12. 12

    W. Herrmann (1846-1922), Duits theoloog, hoogleraar dogmatiek te Marburg vanaf 1879, leermeester van o.m. Barth en Bultmann.↩

  13. 13

    G. Aulén (1879-1977), Zweeds theoloog, hoogleraar systematische theologie te Lund 1913-1933 en bisschop van de diocees Strängnäs (bezuiden Stockholm) 1933-1952. In zijn boeken Het christelijke godsbeeld (Amsterdam 1929) en De christelijke verzoeningsgedachte (Amsterdam 1931) schaart hij zichzelf onder de aanhangers van de ‘klassieke verzoeningsleer’ (o.a. Irenaeus en Luther). A. betoonde zich een politiek tegenstander van het nationaal-socialisme en was in de Tweede Wereldoorlog actief betrokken bij het verzet van de Noorse kerk tegen de Duitse bezetters.↩

  14. 14

    P.D. Chantepie de la Saussaye Jr. (1848-1920), zoon van Daniël, zie brief nr. 188 (30.11.1905), n. 12.↩

  15. 15

    K. Barth. ‘Der heilige Geist und das christliche Leben. Vortrag gehalten an der Theologischen Woche in Elberfeld am 9. Oktober 1929.’ in: K. Barth/H. Barth Zur Lehre vom heiligen Geist (Zwischen den Zeiten, Beiheft 1) (München 1930), 39-105.↩

  16. 16

    Barth. a.w., 96.↩

  17. 17

    VW 3, 462v.↩

  18. 18

    Het gaat hier over het postulaat van de ‘eenheid des levens’ van de ethische theologie (VW 3, 471v.).↩

  19. 19

    De driehoek God-wereld-mens; VW 3, 470.↩

  20. 20

    VW 3, 472.↩

  21. 21

    Heinrich Barth (1890-1965), broer van Karl Barth, ‘Die Krisis der Humanität. Vortrag, gehalten in der Theologischen Fakultät Zürich am 10. Juli 1930’ in Zwischen den Zeiten 8(1930) nr. 6, 454-474.↩

  22. 22

    W.J. Aalders, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 7.↩

  23. 23

    VW 3, 475v.↩

  24. 24

    B.J.H. Ovink, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 6.↩

  25. 25

    VW 3, 478: ‘De theologie mag de ontologie niet verwaarlozen.’↩

  26. 26

    VW 3, 471v., 452v., 451v.↩

  27. 27

    VW 3, 464: ‘Ik zou hier de richting van het leven willen vergelijken met een komeet.’↩

  28. 28

    VW 3, 470.↩

  29. 29

    Doelt op de vragen op deze bladzijde, VW 3, 470.↩

  30. 30

    ON schrijft over de ‘eenvoud van het leven’ van de gereformeerden, dat ‘resultaat is van strenge tucht, door kerk, gezin en persoon geoefend’ (VW 3, 469).↩

  31. 31

    ‘De Zwitserse theologie’, VW 3, 557-582.↩

  32. 32

    ‘Gunning en de kerk’, VW 3, 353-367. Zie brief nr. 378 (23.4.1930).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 392. H. Guittart aan O. NoordmansLaren Gld. 1923-1934394. D. Tromp aan O. Noordmans →