Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

408. A.M. Brouwer aan O. Noordmans

Utrecht, 5 februari 1932

Amice frater,

Ik kreeg van de week twee stukken van je hand: een uitvoerige beschouwing over wat de kerk moet zijn en de notulen van de contact-commissie.1 Van de laatste ben ik wel geschrokken, als Kohstamm spreekt van ’t vol effect dat de overgrote meerderheid aan haar besluiten moet kunnen verlenen. Dat is de reinste demokratie, zonder iets van Christokratie of theokratie.2 Dat alleen de commissie van contact een programma moet opstellen voor een bespreking met Kerkherstel, is zeker niet zo bedoeld als ’t er staat (dit is uit ’t antwoord van Kerkherstel3 anders is dat ook grotesk! Zo zou het hele moderamen van Kerkopbouw uitgeschakeld worden. Met grote belangstelling las ik je uiteenzetting over de kerk. Uit wat ik zelf ter opening van de reorganisatie-commissie4 zei, zul je afleiden, dat ik in hoofdzaak met je mee ga. Onderstrepen wil ik op blad. 8: “Daarmee vervalt elke bestuurlijke tucht”. Over sommige dingen zou ik graag eens gepraat hebben.5 Jammer dat je a.s. woensdag6 niet kunt komen. Inderdaad vraagt Kerkopbouw veel. Ik houd een dagboek over wat Kerkopbouw van mij eist. Elke dag staat er iets, en vaak heel veel. Ik moet er al mijn werk naar regelen. Maar ten slotte gaat het op ’t ogenblik om belangrijke beslissingen. Ons terugtrekken is een ‘doen door laten,’7 dat ernstige gevolgen kan hebben. Ik zou over allerlei eens met je willen praten. Maar ik begrijp dat ’t niet gaat. Hartelijke groeten van huis tot huis, tt.

Nus Brouwer.

(AN)

Noten

  1. 1

    Het advies van ON aan Kerkopbouw inzake de reorganisatie (zie brief nr. 407 (29.1.1932)) en de notulen van de vergadering op 7.1.1932. Brouwer vermeldt in zijn dagboek: ‘Brief aan Noordmans over zijn kerkbegrip en over contactcommissie Kerkherstel. 1) Kohnstamm is geheel democratisch, niet Christo- of theocratisch als hij zegt, dat de overgroote meerderheid haar wil moet kunnen doorzetten; 2) Als Kerkherstel werkel. bedoelt, zooals ze ’t zegt, dan zou alleen de contact-comm. wat te zeggen hebben ten opzichte van KH en zou het moderamen eenvoudig worden uitgeschakeld; 3) In hoofdzaak met N.’s kerkbeschouwing ’t eens: onderstreept: “Hiermee vervalt alle bestuurlijke tucht.” Zou graag eens willen praten.’↩

  2. 2

    De notulen melden dat op de vergadering van 7.1.1932 ook de ‘tucht’ aan de orde kwam: ‘Prof.Kohnstamm zet z’n opvatting hieromtrent uiteen, zooals hij ze gegeven heeft in de bekende artikelen in het ‘Weekblad.’ Hij meent, dat in een concrete, historische verschijningsvorm van de kerk van Christus als de Ned. Herv. Kerk in laatste instantie de overgroote meerderheid der lidmaten in staat moet worden gesteld, ook in zaken van tucht aan haar besluiten vol effect te verleenen.’ De notulen vervolgen met: ‘Noordmans zegt, dat hij nog steeds ernstige bezwaren heeft tegen het oefenen van tucht door een kerkelijke vergadering. Hij meent, dat het tuchtvraagstuk voor de Hervormde kerk, door de loop der historie, een eigen karakter heeft gekregen. Dat het niet in abstracto, of door terug te vallen op de in de geschiedenis bekende procedé’s, maar door het in aanmerking nemen van alle omstandigheden, pragmatisch moet worden opgelost. Hij is op dit punt niet gereed. Hem staat voor den geest een afzonderlijke instantie voor tuchtoefening, waarin breed-episcopaal de bereidheid om veel te dulden en te dragen gewaarborgd zou zijn. Kohnstamm verklaart, dat hij zulk een instituut zeer gaarne zou ingeschakeld zien. De zeer grote verantwoordelijkheid voor beslissingen kan niet door een grote vergadering worden gedragen; een enkel man of een zeer klein college waarborgt veeleer verantwoordelijkheidsbesef dan een grote vergadering. Maar deze mannen moeten dan ook werkelijk de vertrouwensmannen zijn van de overgrote meerderheid der kerk. Hij begrijpt, dat de huidige Synode die plaats niet kan innemen. Oorthuijs vreest, dat men op de wijze van Noordmans de zaak zelf in handen wil houden; allerlei cauties scheppen en de zaak niet in ’t geloof aan Gods leiding overlaten. Noordmans zegt, dat hij onderscheid maakt tussen politieke billijkheid, die in de artikelen van Kohnstamm doorschemert, en het eigenaardige van kerkrecht, dat hem voor de geest staat. Oorthuijs zegt dat we met vaste dingen te doen hebben. Met een: er staat geschreven. ’t Gaat vooral om voorgangers minder dan om gemeenteleden. Maar ook hij voelt wel voor een speciaal herderlijke instantie inzake tucht. Kohnstamm merkt op, dat ook hij onderscheid maakt tusschen kerkelijke en politieke billijkheid. Beide willen echter de principiële leiding en de zakelijke beslissingen naar historisch-presbyteriaal kerkrecht aan een kerkelijke vergadering overlaten. Noordmans ziet hier een probleem. Hij ziet de oplossing van het tuchtvraagstuk, door terug te vallen op de vroegere kerkorde, als te simplistisch, juist als men de dingen, zooals ook Oorthuijs wil, realistisch ziet. Tegen een beslissing inzake tucht, als zodanig, is hij niet.’ De in dit gedeelte vermelde artikelen van Kohnstamm verschenen als serie van zes onder de titel ‘Kerk-herbouw’: KO 1 (nr. 8 (10.7.1931), nr. 9 (24.7.1931), nr. 10 (7.8.1931), nr. 11 (21.8.1931), nr. 12 (4.9.1931) en nr. 13 (18.9.1931) ) opgenomen in AWCC 7, nr. 36, nr. 38, nr. 40, nr. 42, nr. 44 en nr. 46. Zie ook n. 1. Vgl. brief nr. 406 (15.1.1932).↩

  3. 3

    Voor te houden bespreking met KH, zie brief nr. 406 (15.1.1932). Voor het antwoord van KH, zie brief nr. 405 (11.1.1932). Brouwer over deze kwestie in zijn dagboek; vgl. n.1.↩

  4. 4

    Zie brief nr. 407 (29.1.1932) n. 2. Wat Brouwer bij deze gelegenheid in zijn openingswoord heeft gezegd is niet bekend. Blijkens zijn dagboek hield hij een toespraak over kerk en doel van de reorganisatie.↩

  5. 5

    Zie n. 1. ON en Brouwer verschilden in opvatting van de tucht. Een gesprek hierover hadden Brouwer en ON op 5.4.1932. Dagboek Brouwer: ‘Met Noordmans nog gesproken over wat hij zag v. leertucht. Het was hem nog als ‘bomen zien wandelen’ (Marc. 8.24). Maar hij zou ’t willen opgedragen zien aan een soort episcopos. Kerkvisitator vindt hij te slap. Maar de vraag of dit toch niet de beste naam is. Hij meende dat ook Haitjema wel begreep, dat men de reorganisatie niet kan afdwingen. Dan de boel kapot.’ Voor ON.’s opvatting zie het advies aan KO, brief nr. 407 (29.1.1932).↩

  6. 6

    De moderamenvergadering van KO op woensdag 10.2.1932; zie brief nr. 405 (11.1.1932).↩

  7. 7

    Zie A.C. Honders Doen en Laten in Ernst en Vrede (’s-Gravenhage 1963), 43.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 407. O. Noordmans aan KerkopbouwLaren Gld. 1923-1934409. O. Noordmans aan P.H.Th. Stevens →