De notulen melden dat op de vergadering van 7.1.1932 ook de ‘tucht’ aan de orde kwam: ‘Prof.Kohnstamm zet z’n opvatting hieromtrent uiteen, zooals hij ze gegeven heeft in de bekende artikelen in het ‘Weekblad.’ Hij meent, dat in een concrete, historische verschijningsvorm van de kerk van Christus als de Ned. Herv. Kerk in laatste instantie de overgroote meerderheid der lidmaten in staat moet worden gesteld, ook in zaken van tucht aan haar besluiten vol effect te verleenen.’ De notulen vervolgen met: ‘Noordmans zegt, dat hij nog steeds ernstige bezwaren heeft tegen het oefenen van tucht door een kerkelijke vergadering. Hij meent, dat het tuchtvraagstuk voor de Hervormde kerk, door de loop der historie, een eigen karakter heeft gekregen. Dat het niet in abstracto, of door terug te vallen op de in de geschiedenis bekende procedé’s, maar door het in aanmerking nemen van alle omstandigheden, pragmatisch moet worden opgelost. Hij is op dit punt niet gereed. Hem staat voor den geest een afzonderlijke instantie voor tuchtoefening, waarin breed-episcopaal de bereidheid om veel te dulden en te dragen gewaarborgd zou zijn. Kohnstamm verklaart, dat hij zulk een instituut zeer gaarne zou ingeschakeld zien. De zeer grote verantwoordelijkheid voor beslissingen kan niet door een grote vergadering worden gedragen; een enkel man of een zeer klein college waarborgt veeleer verantwoordelijkheidsbesef dan een grote vergadering. Maar deze mannen moeten dan ook werkelijk de vertrouwensmannen zijn van de overgrote meerderheid der kerk. Hij begrijpt, dat de huidige Synode die plaats niet kan innemen. Oorthuijs vreest, dat men op de wijze van Noordmans de zaak zelf in handen wil houden; allerlei cauties scheppen en de zaak niet in ’t geloof aan Gods leiding overlaten. Noordmans zegt, dat hij onderscheid maakt tussen politieke billijkheid, die in de artikelen van Kohnstamm doorschemert, en het eigenaardige van kerkrecht, dat hem voor de geest staat. Oorthuijs zegt dat we met vaste dingen te doen hebben. Met een: er staat geschreven. ’t Gaat vooral om voorgangers minder dan om gemeenteleden. Maar ook hij voelt wel voor een speciaal herderlijke instantie inzake tucht. Kohnstamm merkt op, dat ook hij onderscheid maakt tusschen kerkelijke en politieke billijkheid. Beide willen echter de principiële leiding en de zakelijke beslissingen naar historisch-presbyteriaal kerkrecht aan een kerkelijke vergadering overlaten. Noordmans ziet hier een probleem. Hij ziet de oplossing van het tuchtvraagstuk, door terug te vallen op de vroegere kerkorde, als te simplistisch, juist als men de dingen, zooals ook Oorthuijs wil, realistisch ziet. Tegen een beslissing inzake tucht, als zodanig, is hij niet.’ De in dit gedeelte vermelde artikelen van Kohnstamm verschenen als serie van zes onder de titel ‘Kerk-herbouw’: KO 1 (nr. 8 (10.7.1931), nr. 9 (24.7.1931), nr. 10 (7.8.1931), nr. 11 (21.8.1931), nr. 12 (4.9.1931) en nr. 13 (18.9.1931) ) opgenomen in AWCC 7, nr. 36, nr. 38, nr. 40, nr. 42, nr. 44 en nr. 46. Zie ook n. 1. Vgl. brief nr. 406 (15.1.1932).↩