407. O. Noordmans aan Kerkopbouw
Advies van Ds. O. Noordmans
Laren (Geld.), 29 januari 1932
Waarde Voorzitter,1
Vergun mij hier dan enkele opmerkingen te stellen naar aanleiding van de bestaande plannen om te komen tot een voorstel voor reorganisatie. Het komt mij voor dat de Commissie, die daartoe op 4 Januari j.l. werd geïnstalleerd,2 goed zal doen als ze rekening houdt met het ‘Ontwerp’, dat uitgangspunt is van de actie van ‘Kerkherstel’. Dit hield in een voorstel van een Commissie, door de Synode benoemd en werd slechts met een geringe meerderheid verworpen. Het sluit zo nauw mogelijk aan bij de bestaande Reglementen-bundels en wijzigde in hoofdzaak slechts daar, waar het karakter der kerk in geding komt. Op die punten is dus principiële bezinning nodig. Ware op die stukken overeenstemming te verkrijgen, eerst in den boezem van ‘Kerkopbouw’ en daarna tussen deze vereniging en ‘Kerkherstel’, dan was het nog slechts een kwestie van formulering. Allereerst komt dus de vraag: hoe we de kerk hebben te zien. Prof. Haitjema heeft, als uitgangspunt voor de bepaling van het wezen der kerk, antwoord 54 van de Heidelbergse catechismus naar voren gebracht. Ik meen, dat dit uitgangspunt niet geschikt is om tot een reorganisatievoorstel te komen. In de Institutie van Calvijn worden de kerk, die men gelooft, en de kerk die organiseert, duidelijker uiteen gehouden dan in den Heidelbergse catechismus en de Nederlandse geloofsbelijdenis. In de catechismus blijft de kerk in het genoemde antwoord geloofsartikel. Over een organisatie wordt niet gesproken en de sleutels des hemelrijks worden behandeld in aansluiting aan de viering van het H. Avondmaal. In de Nederlandse geloofsbelijdenis wordt in artikel 27 gesproken over de kerk als geloofsartikel evenals in antwoord 54 van Heidelbergse catechismus. In artikel 28 wordt dan zonder duidelijke scheiding de overgang naar de georganiseerde kerk bewerkstelligd door de eis, dat men schuldig is zich bij de in artikel 27 beschreven heilige vergadering te voegen. Deze overgang valt niet sterk op, omdat de artikelen onder de brandstapel geschreven zijn. Calvijn houdt beide veel scherper uit elkaar. Hij erkent wel verband, als hij zegt dat in de 12 artikelen niet alleen de zichtbare, maar ook de kerk der uitverkorenen bedoeld wordt.3 Maar over die kerk als geloofsartikel spreekt hij dan in het 2e en 4e boek heel weinig. Een lofprijzing van deze moeder moet hier genoeg zijn (IV.I.4). Dan gaat hij over tot de behandeling van de georganiseerde kerk. De kennis van de kerk der uitverkorenen wil hij aan God overlaten (IV.1.2). Ofschoon er wel een verband is tussen beide kerken, de zichtbare en de onzichtbare, kan toch de georganiseerde niet regelrecht afgeleid uit de kerk als geloofsartikel. Zij is te beschouwen als een instelling, die eenigszins parallel loopt met een instelling van de overheid. Deze kerk heeft iets van een staat. Ze bevat de menigte van de mensen, die God en Christus belijden; de christenen dus. Door de doop wordt men ingelijfd; het avondmaal manifesteert de eenheid; de overeenstemming ligt in Gods Woord; voor haar prediking heeft ze de instelling van het ministerie (IV.1.7). Velen zijn er die niets van Christus hebben dan de titel en de schijn. Zeer veel schapen zijn er buiten, zeer veel wolven binnen (1.8). Daarbij hebben we dan te oordelen naar geloofsbelijdenis, levensgedrag en deelname aan de sacramenten. De georganiseerde Kerk houdt dus wel verband met de onzichtbare. Maar ze krijgt tegenover de geloofszekerheid van de laatste, waarvan de kennis bij God blijft een conjecturaal karakter. Mits zo dat deze veronderstellingen ten opzichte van deze medeleden door de liefde hun eigenlijke kerkelijke betekenis krijgen. Op die wijze alleen is het mogelijk hier op aarde iets van de gemeenschap der heiligen te verwezenlijken. Als we een kerk willen maken met een absoluut karakter, dan blijft er geen kerk over (1.17). Daarbij komt dat de vergeving der zonden de sleutel der kerk is (1.22). Zonder de vergeving der zonden zouden we geen dag in de kerk kunnen blijven. En we krijgen die in de gemeenschap der kerk. Een zeker publiek karakter der kerk moet bewaard blijven. Men moet mensen, particulieren tijdelijk kunnen dulden, die er niet in behoren. En wat het volk betreft, als het evangelie gepreekt wordt en de sacramenten bediend, dan is er altijd vrucht. Het gereformeerde kerkbegrip heeft dus twee kanten. Allereerst is het een accommodatie Gods aan onze zwakheid om ons een menselijke mogelijkheid te scheppen iets van de onzichtbare kerk te verwezenlijken. En in de 2e plaats krijgt de zo door God ingestelde kerk een eigen betekenis als middel om ons tot het geloof te brengen. Omdat de georganiseerde kerk slechts een aardse wegwijzer is naar de verborgen gemeenschap der heiligen en ze als zodanig reeds vele conjecturale elementen in zich opneemt; omdat ze reeds voor de absolute geloofszekerheid een oordeel der liefde toepast, mag men wat er in haar vast is niet nog eens weer losmaken. Als verwijzing naar de onzichtbare kerk moet ze duidelijk zijn. Ze is geen plaats voor zoeken en twijfelen. Op de kenmerken der kerk hebben de gereformeerden altijd vast gestaan. Geloofsbelijdenis, prediking des Woords, sacramenten, dat zijn voor Calvijn de gelaatstrekken der Kerk. De tucht als zodanig is niet zo fundamenteel als Woord en sacramenten. Ze is weer middel om dit middel in stand te houden. Ze heeft echter ook een naar de wereld toegekeerde zijde. De gereformeerde kerk heeft twee aangezichten. Eén naar de onzichtbare kerk en ’t andere naar de wereld. De gereformeerde kerk krijgt iets van een staat in de staat. Ze lijkt in dat opzicht meer op Rome dan de Lutherse kerk. De tucht is voor haar niet alleen middel om de prediking en de sacramenten zuiver te houden, maar ook om de wereld te reformeren. De Luthersen blijven meer op de onzichtbare kerk alleen gericht. Men merkt dat ook duidelijk hier uit, dat men heden ten dage bij de Luthersen ook een derde lid zoekt te scheppen naast prediking en sacrament. Men wil dan echter als zodanig de ‘Lebenstätigkeit’ beschouwen. Het protestantse kerkbegrip behoudt, trots alles, iets negatiefs. De Nederlandse geloofsbelijdenis verontschuldigt zich bijna over de kerkorde, als ze in artikel 32 schrijft dat, ‘hoewel het nuttig en goed is, dat de regeerders der kerk onder elkaar zekere verordeningen instellen’, men daar toch zeer voorzichtig mee moet zijn en zich aan Christus’ voorschriften houden.4 De kerk is trouwens altijd meer vooronderstelling geweest. Ze is de plaats, waar de genade Gods wordt medegedeeld en het geloof beleden. Pas in 2e instantie op een lager plan, in het midden tussen de geloofsorde en de politieke orde, krijgt ze een ook door God gewilde en bedoelde zelfstandigheid. Het komt er op aan vanuit dit apriori, dit kerkelijk apriori, de beginselen af te leiden voor een organisatie. Het is fout die af te leiden uit het wezen der onzichtbare kerk naar antwoord 54 van de Heidelbergse catechismus. Het is ook fout dit te doen uit de politieke orde en ieder Nederlander door geboorte recht in de kerk te geven, zooals de linkse vrijzinnigheid wil. Er bestaat een middenvlak; er is geen apriori voor het kerkelijk leven. Juist omdat de georganiseerde kerk iets van een middending heeft, moet ze zich er voor wachten zich te verabsoluteren. Zelfs de roomse kerk wacht zich hier voor als ze in haar dogmatiek zorg draagt een veel spiritualistischer kerkbegrip te bewaren dan overeenkomt met haar praktijk. De kerkorde mag dus de geloofsbelijdenis niet op haar niveau neerhalen. Ze mag daarvan geen artikel maken in haar reglementen. Zoals zij zelf in de geloofsbelijdenis nauwelijks ter sprake komt, omdat de onzichtbare kerk daar thuis behoort, zo horen de geloofsartikelen in de reglementen niet thuis. Geloofsbelijdenis en kerkorde zijn wederkerig elkaars vooronderstellingen, elk op eigen hoogte. Wil men in een of ander artikel van de kerkorde verwijzen naar het geheel. Een korte belijdenis in een reglementsartikel is een onding. Zulk een artikel heeft ook nog nooit aan de bedoeling beantwoord. Men verwijze naar het geheel van de geloofsvooronderstellingen der kerk. Wanneer de vastheid van de kenmerken der kerk als middel om den weg te wijzen naar de onzichtbare geloofseenheid naar voren moet worden gebracht, anders dan bij wijze van een enkele verwijzing, dan behoort dat te geschieden door de levende belijdenis van de kerk in haar geheel. Artikel 9 van het ‘Ontwerp’5 lijkt mij uit dit oogpunt foutief, evenals elke andere formule die daarvoor in de plaats zou komen te staan. De kerk heeft een belijdenis of liever: zij belijdt. De reglementen belijden niet, maar verwijzen slechts. Daarmee vervalt elke bestuurlijke tucht - namelijk de reglementaire tucht, zoals die nu bestaat -. De belijdenisvragen en de proponentsformule behouden een eigen karakter. Ze houden het midden tussen een reglementaire verwijzing en een belijdenis van de kerk in haar geheel. Ze mogen geen minimumvragen zijn, maar moeten een vol geluid geven. Ze dragen niet het karakter van een reglementaire strik, maar geven een persoonlijk getuigenis af, dat voldoende moet zijn. Maar ze houden iets persoonlijks. Door dit alles komt dus de tuchtvraag pas in volle scherpte naar voren. Hoe zorgen we dan voor de vastheid van de kerk, die we geloven en hoe zorgen we, dat de georganiseerde kerk voor ons volk werkelijk iets van de gemeenschap der heiligen realiseert? Hoe zullen we op grond van het eigenaardige apriori der geinstitueerde kerk, ingericht naar onze menselijke zwakheid, conjecturaal in haar kennis en gebonden aan het oordeel der liefde, de tucht - in overeenstemming met de gehele situatie van onze tijd - moeten construeren? Dat is de ontzaggelijk moeilijke vraag, waarom het nu eigenlijk gaat, en die een afzonderlijke behandeling nodig heeft.
Hiermee meen ik tot op zekere hoogte voldaan te hebben aan onze afspraak, waarbij we op ons namen de algemene vooronderstellingen voor reorganisatie, zoals ieder die ziet, voorlopig te formuleeren. Met vriendelijke groeten,
O. Noordmans.
(AN)