Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Laren Gld. 1923-1934

Weergave
Passages naar Readwise sturen

441. K.H. Miskotte aan O. Noordmans

Haarlem, 6 october 1933

Zeer vereerde Noordmans,

Ik was blij en dankbaar voor uw artikel in Eltheto over mijn boek;1 allereerst, omdat het weinig-gevraagde boek het zo nodig heeft weer eens even voor het voetlicht te komen en in de baan van de schijnwerper, ook om de lof voor mijzelf; (ik ben ook maar een mèns en heb er nog vrijwel niets over gehoord); als iemand zegt: een ‘merkwaardig’ boek, dan zegt mij dat niets, maar wanneer Noordmans dat zegt,2 dan ben ik al blij en met veel doodzwijgerij verzoend. De eigenlijke reden van dit briefje ligt intussen hierin, dat ik in het geheel niet begrijp, wat u voor goeds vond in de vragen van prof. Kohnstamm.3 Zij berusten zonder meer op misverstand aangaande de term ‘joods’, die ik (trouwens in overeenstemming met het godsdiensthistorisch gebruik) neem als ± ident met ‘na-bijbels’ - ‘talmoedisch’, en die hij ethnologisch en voor een deel ook typologisch verstaat. Zijn vraag was allerminst de uwe: ‘moet de overgang van de ene mogelijkheid naar de andere zo dialektisch zijn?’4 Daarop zou ik willen antwoorden, dat in de orde der gedachten aan deze tegendeligheid der mogelijkheden niet is te ontkomen maar dat in de werkelijkheid m.i. in het geheel geen overgang bestaat, waarom de twee ‘mogelijkheden’ ook niet gelijk staan. De tweede is immers de onmogelijke mogelijkheid van het kerygma. Daarom vind ik het zo jammer, dat u door gebrek aan plaatsruimte niets heeft kunnen zeggen over het 8ste hoofdstuk,5 vooral aangaande de tegenstelling ‘correlatie’ en ‘predestinatie’. Doch ook, wanneer ik dit niet had geschreven - mij is elk methodisme vreemd en de stelling: dat de Jood over Kafka tot Jezus moet komen,6 ligt mij ver. Natuurlijk is het niet toevallig, dat het juist Kafka is, (de énige van deze joodse denkers, die worstelt met de vraag der ‘erfschuld’), die de abstracte mogelijkheid van het kerugma in zijn leven en denken betrekt - maar langs welke wegen de grens bereikt wordt, waaraan de correlatie breekt, is dunkt me niet te zeggen en ik geloof ook niet, dat ik reden heb gegeven voor de mening, dat ik waan het wel te kunnen zeggen. ’k Hoop u niet onaangenaam of opdringerig te wezen, als ik zeg: in de laatste zinnen herkende ik Noordmans, mijn Noordmans, niet. De wegen van de Geest zouden meer geleidelijk zijn dan die der gedachte.7 Ik meende dat de continuïteit het deel was der gedachte, maar dat de Neu-Prädikation8 het privilege des Geestes was. Al wil ik niet ontkennen dat deze laatste, de Neu-Prädikation, zich voor ons verhullen kan in de vorm van een geleidelijke ontwikkeling, ook deze ontwikkeling is, dunkt mij, vergeleken zelfs bij het ‘polariteits’-denken, vol wendingen en verrassingen, die verontrustend uit een andere orde dalen en de geleidelijkheid doorkruisen. - U vraagt aan het einde: ‘Is het Israël der realiteit hier ook te sterk betrokken in de gedachtenvlucht van enkele filosofen?’9 - maar, het ging mij immers niet om het Israël der realiteit, maar om het ‘wezen’ van het joodse geloof; en de gedachtenvlucht der filosofen werd ‘eingeklammert’, om het tenslotte zo eenvoudige ‘wezen’ te kunnen stellen. Hoe schoon hebt u zelf, met uw geniale intuïtie, dit wezen omschreven (blz. 21 bovenaan).10 - Hoe jammer dat ik op dat beeld van de satelliet niet gekomen ben! maar, zo zie je weer, het kwalitatief verschil tussen een geest als de uwe en die van KHM, een verschil, dat door geen ‘vervaarlijk werken’11 kan worden uitgewist - ‘vergeefs van ’s morgens vroeg geslaafd vergeefs den gansen dag gedraafd God geeft het, hoe een ander schraap’, dien Hij bemint, als in den slaap.’12 Zeer vereerde Noordmans, ondanks alle respect en alle resignatie tegenover uw meerderheid, ondanks de wrevel, die in mij komt, als ik denk aan de hoed,13 die potsierlijk mij staat, zodra mijn hoofd naast uw ongedekte schedel verschijnt, heb ik het toch gewaagd, deze opmerkingen te maken. Ik houd het niet voor onmogelijk, dat ik - ten overvloede - u nog heb misverstaan - dat zou de klap op de vuurpijl zijn. Nogmaals mijn hartelijke dank. Met gevoelens van grote eerbied en oprechte genegenheid groet ik u. Zegen over uw werk! Uw dw., K.H. Miskotte.

(AN)

Noten

  1. 1

    ON schreef het artikel ‘Tweeërlei mogelijkheid’, VW 4, 170-179 n.a.v. Miskotte’s dissertatie Het wezen der Joodsche religie. Bijdrage tot de kennis van het Joodsche geestesleven in dezen tijd (Amsterdam 1933), 2e dr. (Haarlem 1964), 3e. dr. (Kampen 1982).↩

  2. 2

    ON besluit zijn artikel met de zin: ‘Dit zijn enkele vragen, die bij mij opkwamen na lezing en herlezing van dit merkwaardige boek.’↩

  3. 3

    Miskotte doelt op de vragen die Kohnstamm (zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 4) stelde in zijn artikel Het wezen der Joodsche religie in: AWCC 9 (1932/33) nr. 37, 5: ‘Is predestinatie wel de zuivere tegenstelling tegenover correlatie? - Verliest Miskotte niet uit het oog dat in de bijbelse taal het huwelijk een verhouding is tussen niet gelijken, waar hij herhaaldelijk erop wijst dat joodse schrijvers het huwelijk gebruiken als beeld van de verhouding tussen God en mens? - Wordt religie bedoeld als tegenstelling tot godsdienst?’↩

  4. 4

    ON signaleert in het boek van KHM twee mogelijkheden (VW 4, 177), nl. ‘de abstracte mogelijkheid der christelijke verkondiging’ naast ‘de mogelijkheid het Oude testament als een eigen geestelijke wereld te bezien.’ ON zegt naar aanleiding hiervan in de voorlaatste alinea: ‘Het verwondert mij niet dat prof. Kohnstamm zijn vraag stelde in het Weekblad voor christendom en cultuur van 14 juli 1933. Moet de overgang van de ene mogelijkheid naar de andere zo dialectisch zijn? Moet de Jood over Kafka tot Jezus komen? De wegen van de Geest zijn meestal meer geleidelijk dan die der gedachte. Is het Israël der realiteit hier ook te sterk betrokken in de gedachtenvlucht van enkele filosofen?’↩

  5. 5

    Hfd. 8: ‘Vergelijkingen. I. De leer der correlatie en het Oude Testament. II. De leer der correlatie en de vooronderstellingen van het kerugma. III. De leer der correlatie en het Oude Testament als Heilige Schrift der Kerk.’ Miskotte gebruikt het woord correlatie als hoofdbegrip om de joodse religie fenomenologisch te karakteriseren. De verhouding tussen God en mens wordt hierbij door hem op saillante punten als afwijkend van de westerse theologische traditie beschouwd. Vgl. VW 2, 194, n. 11.↩

  6. 6

    Franz Kafka (1883-1924). Miskotte wijdt aan hem een paragraaf in hoofdstuk V ‘Extremen’ van zijn Het wezen der Joodse religie.↩

  7. 7

    VW 4, 177.↩

  8. 8

    Neu-Prädikation, zie: “De Zwitserse theologie” in Geestelijke Perspectieven, VW 3, 572.↩

  9. 9

    VW 4, 177.↩

  10. 10

    VW 4, 176.↩

  11. 11

    Op de eerste bladzijde van het artikel, VW 4, 170: ‘Gelukkig ligt hier dan een gedeelte van de stof, die deze vervaarlijke werker beheerst, vast.’↩

  12. 12

    Ps. 127:2 (ber. 1773).↩

  13. 13

    Met ‘hoed’ wordt de doktorshoed bedoeld.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 440. A.M. Brouwer aan O. NoordmansLaren Gld. 1923-1934442. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →