442. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Laren (G.), 8 october 1933
Amice collega,
Uw boek verdient hogere waardering dan ik er in een artikeltje voor Eltheto voor kon uitspreken.1 Er wordt wel eens geklaagd, dat ik voor dat blad te moeilijk schrijf en ik moest in vijf bladzijden uw kwartijn2 behandelen. Ik heb er zeven van gemaakt. Maar ook dan nog stond ik voor de keus om of uw gehele referaat terzijde te laten of uw systematische hoofdstukken vrijwel te negeren. Ik heb dat laatste gekozen, omdat ik voor een aankondiging er het meest van verwachtte, als ik de lezers een indruk gaf van de schitterende kwaliteiten uwer auteurs. Als criticus mocht ik mij in dit geval ook niet opwerpen, omdat uw stof mij vrijwel nieuw was. De eerste en sterke indruk van dat alles was die van merkwaardigheid. De kwestie-Kohnstamm3 houdt verband met het feit, dat uw boek geschreven werd voor 5 maart 1933 en dat de Joden daarna op de bekende wijze wereldgeschiedenis hebben gemaakt.4 Wij allen hebben daaronder geleden - denk aan Ehrenfest5 - en zijn minder geneigd op dit ogenblik ons zelf als anti-joden en de joden als anti-christenen te zien. Voor ons was het in die dagen moeilijk het Israël der realiteit en het joodse geloof uit elkaar te houden. En ik heb vooral in die eerste weken wel eens lust gevoeld om in ’t publiek te vragen of het misschien niet beter was dat wij naar de joodse synagoge gingen, om getuige te zijn hoe Jesaja 53 vervuld wordt, dan dat wij - zoals enkele dominees deden, er aan herinnerden dat de Joden Jezus gekruisigd hebben. De vraag kwam, - ook bij prof. Kohnstamm - uit de behoefte op, om naast de Joden te gaan staan. Dat u nergens hebt gezegd waar de correlatie moet breken is volkomen waar. Ik vroeg ook alleen maar. Toch deed ik dat graag even omdat als men zo twee religies tegenover elkaar geplaatst ziet, de consequentie der gedachten een machtige factor wordt. Men wordt er als ’t ware door meegezogen. De mogelijkheid van het omslaan in zijn tegendeel à la Hegel dringt zich willekeurig op. In de werkelijkheid des Geestes echter komt de opening zelden in de top. Het bloed vloeit uit de zijde, waar men door de speer der werkelijkheid geraakt wordt. Zo geloof ik ook, dat de bedeling des Geestes een geleidelijkheid kent, waarbij de onheilige overgangen der gedachten als schijn openbaar worden. Het sofisme van Achilles en de schildpad6 leert ons al, dat de gedachte de geleidelijkheid der gewone natuurlijke werkelijkheid niet kan halen. Dit geldt te meer van de geestelijke. De Neu-Prädikation7 is het absoluut-momentele in de geleidelijkheid des Geestes. De absolute geleidelijkheid, daarmee evenredig, ligt voor mij uitgedrukt in de predestinatie. Ik heb daarover iets gezegd in een opstel, dat binnenkort uitkomt in de bundel der Barthianen.8 Zo heb ik dan, zo goed en zo kwaad als het ging, getracht m’n simpele vragen aan het slot van mijn aankondiging van uw boek, te rechtvaardigen. Houd u overtuigd, dat ik een oprechte bewondering koester voor uw prestatie. Uw boek is een meesterlijke studie, die op elke bladzijde blijk geeft van volkomen beheersing van het onderwerp. Dat blijkt vooral ook uit de manier waarop bij elk onderdeel uw critische aandacht wakker is en zich met een opvallende gemakkelijkheid in de stof beweegt. De fenomenologische methode hebt ge onder de knie en het is een instrument, waarvan ge u naar believen weet te bedienen. Ook die bedrevenheid vond ik merkwaardig. Zij trof mij als iets nieuws, voor ons land. Dat uw boek doodgezwegen wordt? Het lijkt maar zo. Weinigen zullen het aankunnen. En een theologische uitwisseling als in de dagen van Pierson en La Saussaye9 bestaat niet meer. Alle theologische publicaties, zoals die van Aalders10 - en ook Kohnstamm - gaan bijna verzwegen hun stille weg. - En als er eens een enkele keer een gedupliceerd debat is als tussen Haitjema en Boissevain,11 dan doet ons dat archaïstisch aan. Nogmaals mijn dank voor wat u ons gegeven hebt. Met vriendelijke groet, tt.
O. Noordmans.
(AKHM)