70. Oepke aan zijn ouders
Leiden, 14 oktober 1891
Voorrede: zend mij s.v.p. 3 pond tabak en mijn tabakspot.
Geliefde Ouders,
Vaders laatste brief1 heb ik ontvangen. Het stuk op zegel2 heb ik ook reeds gekregen. De inschrijving heeft dan ook reeds plaats gehad. Nog steeds blijft het mij hier goed bevallen, wat de omgang aangaat ook. Fopma3 heb ik laatstavond4 ook gehad te praten en zoeven is Sietse Vellinga5 hier een poosje geweest, die bij Symen Koster een paar nachten gelogeerd was. Ik kwam hem toevallig op straat tegen en ik vroeg hem om vanavond een poosje te komen en dat heeft hij dan ook gedaan. Hij vroeg mij erg naar Gep!!! Het weer gaat best, wij hebben prachtig weer, dat zal voor het land nog wel wat schelen. Maar zo raak ik spoedig uitgepraat en ik zal dan ook maar liever een ander onderwerp nemen. Er is een bekend verschil tussen twee gereformeerde richtingen, de boven- en benedenvaldrijvers, waarvan op de Dordtse synode de eersten in de minderheid waren.6 Desniettegenstaande zoekt Kuyper te beweren, dat de eersten de gereformeerden zijn, daarbij misschien tussen Nederduits-gereformeerd en calvinistisch geen onderscheid in het oog houdend.7 Hij zegt dan dat het een eigenschap van het calvinisme is om in alles Gods soevereiniteit op de voorgrond te plaatsen, van het lutheranisme om de rechtvaardigmaking door het geloof op de voorgrond te plaatsen. Dat dat het verschil is tussen de verschillende opvattingen. Niet dat de een zou missen wat de ander heeft, maar dat de een de delen anders rangschikt dan de ander, de een dit naar voren schuift, de ander dat. Zo stelt hij het verschil voor. Bij de beschouwing hiervan moet men m.i. in het oog vatten het doel van de heilsweg en dan niet halverwege blijven zitten bij de verlossing aan de Jordaan, maar ook verder gaan en daarin zien een verlossing, die niet in de eerste plaats geschiedt om de mens, maar tot ere Gods. Vgl. Rom. 9:22, 23; Rom. 9:17, 18. Hier zien wij dus dat zowel bij de aanneming als bij de verwerping de ere Gods op de voorgrond staat. Ook de uitverkiezing staat hier wel op de voorgrond. Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat.8 Dus tegenover uitverkiezing, bepaalde verwerping. Nu lezen we Rom. 8:29 en 30 dat die God uitverkoren heeft, Hij die ook heeft geroepen, die Hij geroepen heeft gerechtvaardigd en verheerlijkt. Nu is het de eenvoudigste opvatting, en de eerste gedachte bij de lezing van die tekst, dat alleen die zijn geroepen, die uitverkoren zijn, wat bevestigd wordt door hetgeen er volgt, ‘die Hij geroepen heeft, heeft Hij ook gerechtvaardigd en verheerlijkt.’9 Volgens het laatste wordt hier dus niet van de voorwerpelijke genade gesproken. Als dan alleen diegenen geroepen zijn, die zijn uitverkoren, dan volgt daaruit dat de uitwendige roeping voor degenen, die niet verordineerd zijn, geen werkelijke betekenis heeft. Dan komt men tot het beeld, dat in het hout verborgen zit. Niet dat daaruit dan nog een fatalisme zou geboren worden, maar dan zou men toch moeten dopen in de veronderstelling van uitverkiezing. Ook in Rom. 9.23 en 24, die Hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid, welke Hij ook geroepen heeft nl. ons, niet alleen uit de joden, maar ook uit de heidenen. Er staat niet de joden en de heidenen, maar uit de joden en uit de heidenen. Dit alles neemt niet weg, dat de verantwoordelijkheid dan toch bij de mens blijft. Rom. 9:30 en 31 en 32 en 33. Ik heb mijn opmerkingen hieromtrent maar eens op het papier gebracht, niet omdat ik Kuypers gevoelen deel, maar omdat toch de Schrift de toetssteen moet blijven, ook van de gevoelens die we eens hebben opgenomen, en omdat deze teksten, dunkt mij, wel waard zijn om te dezen opzichte in aanmerking genomen te worden. Ik zou gaarne vaders gevoelen hieromtrent weten, niet over de zaak, dat gevoelen weet ik, maar hoe dan deze teksten te rijmen. Gegroet,
Oepke.
(AN)